Onze buren verdreven ons

Arabische buren hielpen maar al te graag bij verjagen van yezidi’s.

Terreur in noorden Irak

Op de universiteit in Dohuk had je moslims met wie je vrienden kon worden en moslims die steeds half grappend, half serieus zeiden dat het hoog tijd was dat yezidi Sami Suleyman (26) zich bekeerde. „Dat soort types werden mijn vrienden dus niet”, zegt Suleyman in een vluchtelingenkamp bij de Turkse stad Silopi, pal op de grens met Irak.

Het waren ‘dat soort types’ die de opmars van de Islamitische Staat (IS) – voorheen ISIS – in Irak twee weken geleden aangrepen om te helpen yezidi-dorpen in de Sinjarvallei van de kaart te vegen. Grote groepen vluchtelingen wisten deze week te ontkomen uit het gebergte waar ze hun toevlucht hadden gezocht, en door te trekken naar de randen van Irak. Niet alleen yezidi’s, maar ook shi’ieten en christenen. Hun dorpen blijven leeg achter. Dit deel van Irak werd op die manier deze week succesvol etnisch gezuiverd.

IS verscheen op het toneel met buitgemaakte Hummers, machinegeweren en draagbare raketten. Sunnitische moslims uit omliggende dorpen kwamen er met hun kalasjnikovs achteraan. Nadat vrijwel iedereen was verjaagd, gedood of gevangengenomen, plunderden de lokale hulpjes de huizen en namen de tractoren en het vee mee.

Wellicht lukt het Koerden en het Iraakse leger met buitenlandse militaire hulp om de jihadisten met hun lange baarden en zwarte vlaggen een halt toe te roepen. Nadat Amerikanen en Koerden deze week samen rondom Sinjar succesvol tegen IS optrokken, is daarop enig uitzicht. Maar het is de gedachte aan hun vroegere buren die maakt dat vrijwel iedere yezidi nu zegt nooit meer terug te durven keren.

Net als in de oorlog in voormalig Joegoslavië (1991-’95) wordt de etnische zuivering in Irak voor een groot deel uitgevoerd door bekenden van de slachtoffers. De gevluchte yezidi’s kunnen hun namen zo opnoemen. De meeste daders behoren tot een en dezelfde sunnitische stam.

„We werkten samen, gingen naar dezelfde school. Ze waren als familie. Geen nabije familie, maar toch”, zegt Rewar Alyas (29), die in de Turkse stad Cizre is beland, niet ver van Silopi. „Mensen met wie je een maaltijd hebt gedeeld.” Hij heeft een groen t-shirt aan met de tekst ‘Rock ’n Roll saved my soul’. „Hier, ik heb hun nummers.” Hij haalt een Samsung smartphone uit zijn zak en wandelt met zijn vinger door de namen.

Alyas ging geregeld biljarten met Ahmed uit een dorp verderop. „Twee dagen voordat ze ons aanvielen belde ik hem nog om te vragen hoe het met hem en zijn kinderen was, en of hij iets nodig had.” Met waterbekertjes en broden maakt hij een schema op de grond om te laten zien hoe dicht de dorpen bij elkaar waren. „Maar toen IS kwam, sloten zij zich bij hen aan en namen ons alles af.”

Alyas vraagt zich af of Ahmed zelf ook bij de meelopers zat, maar weet het niet zeker. Hij wil graag geloven van niet.

Suleyman werkte als architect samen met Arabieren uit de omgeving. Hij had weinig problemen met ze, zegt hij. „Maar vanaf nu is alles anders.” Op de schaal van de huidige vervolging verbleken de slechte ervaringen uit het verleden tot incidenten.

De ouders van Suleyman overleefden de onderdrukking onder Saddam Hussein. Die dwong yezidi’s te verhuizen naar door hem aangewezen dorpen. De huizen en akkers in kleinere nederzettingen die ze achterlieten werden aan sunnitische Arabieren gegeven. Koerden in delen van Irak hebben vergelijkbare verhalen. Ze werden onder het regime van Saddam Hussein gedwongen hergevestigd.

Treiterijen

Op die manier ontstonden overzichtelijke yezidi-enclaves, omringd door Arabieren. Met de meesten van die Arabieren konden de yezidi best door één deur, blijkt uit de verhalen van vluchtelingen. Maar er waren voortdurend treiterijen die maakten dat de verhoudingen nooit helemaal normaal werden. Soms werd vee gestolen, of er werd een kind ontvoer dat dan in ruil voor tienduizenden dollars losgeld weer terug werd gegeven.

De yezidi’s kunnen zelf ook niet goed verklaren waar de haat vandaan komt. „Ze vinden ons kafir (ongelovigen)”, zegt een oudere man in Cizre. Een man die op zijn knieën naast hem zit laat op zijn telefoon het begin van een documentaire zien over pogingen om yezidi’s uit te moorden door de eeuwen heen. „Dit is de 74ste genocide op ons”, zegt hij erbij. „Arabieren geven nu eenmaal de voorkeur aan andere Arabieren”, zegt Suleyman.

Over het resultaat is iedereen het eens. Er zullen geen yezidi’s in Irak overblijven. „We zijn de oudste religie, maar in het Midden-Oosten zullen we niet meer leven”, zegt Suleyman beslist. „We sterven uit als dinosauriërs.”

Voor Suleyman is zijn religie ongewild het belangrijkste kenmerk van zijn identiteit. Het feit dat hij als yezidi geboren is, bepaalt waar hij wel en niet veilig is. Studeren in Mosul, zoals zijn vader heeft gedaan, zat er voor hem bijvoorbeeld niet in. Sinds de Amerikaanse inval in 2003 en met name in 2007 en 2008 waren er daar te veel aanslagen door Al-Qaeda-achtige groepen, fanatieke moslims. En te veel mensen die niets wilden weten van yezidi’s en dat lieten merken.

Je kunt niet aan Suleyman zien dat hij yezidi is. Hij is lang met een lichte huidskleur, zoals veel Koerden. De architect draagt geen religieuze symbolen of traditionele witte yezidi-kleding. Dat doen alleen de ouderen in het kamp. Maar moslims pikken hem er zo uit, zegt hij. „Als ik Arabisch spreek, verraadt mijn accent me.” Het merendeel van de yezidi’s in Irak spreekt Koerdisch. Suleyman praat alsof hij het leven in Irak voor hem en zijn vrouw en twee jaar oude zoontje al lang geleden heeft opgegeven. Het is niet zijn eerste bezoek aan Turkije. Ook de vorige keer, in 2007, was bij een vluchtpoging.

De wens om te vertrekken onderscheidt de yezidi’s niet van andere Irakezen. Het leven staat al ruim twee decennia in het teken van oorlog en angst voor aanslagen. De meeste Irakezen willen weg. Ongeacht of ze shi’iet, sunniet of christen zijn. Alleen Koerden, die in de jaren 70 en 80 massaal vluchtten voor de onderdrukking door Saddam, kiezen er nu soms voor om terug te komen.

Een grote groep yezidi’s vertrok in 2007 en 2008. Suleyman probeerde toen naar Europa te ontkomen. „Mijn vader moedigde me aan te proberen in Duitsland te gaan studeren”, zegt de architect. Hij komt uit een familie van hogeropgeleiden. Zijn vader was ingenieur, een broer ook. Zijn zus is arts. Ze zijn niet onbemiddeld, zegt hij eerlijk. Dat helpt enorm voor wie naar het buitenland wil. Om nu in Turkije te komen hebben ze 400 dollar per persoon betaald aan smokkelaars.

In 2007 redde Suleyman het tot in Griekenland, maar hij werd gepakt toen hij de boot naar Italië wilde nemen. Na drie maanden in een Grieks detentiecentrum werd hij uitgezet naar Irak, vertelt hij, zittend op een betonrand in het vluchtelingenkamp. In plaats van een studie in Duitsland werd het Dohuk.

Hij is niet van plan dat nog eens mee te maken. „Als Europa ons niet neemt, komen we illegaal”, zegt hij vastberaden met een knik naar het westen en zijn rug naar de grens met Irak, zichtbaar in de verte. Zijn Iraakse mobieltje heeft nog ontvangst.

Het wachten is op zijn vader, die nog in Dohuk is. Hij probeert daar de auto’s te verkopen om de rest van de familie achterna te komen. Misschien lukt de vlucht nu wel. Irak is geschiedenis.