Kroniek van een kalifaat in wording

Ten zuiden van Bagdad bewaken shi’itische militairen het woestijngebied tussen Kerbala en Najaf tegen een inval van IS.

2003

Saddam Hussein was een sunniet, maar zijn ‘socialistische’ Irak was in principe een seculiere staat, hoewel religie in zijn nadagen de ruimte kreeg om een ontevreden bevolking te paaien. Voor extremisten was geen plaats, ook al spande de regering van president Bush zich na ‘11 september’ hard in om een verband te leggen tussen Al-Qaeda en het regime van Saddam. Die extremisten kwamen pas binnen na de omverwerping van het Ba’ath-bewind in Bagdad in 2003 door een Amerikaans-Britse troepenmacht, waarna het verzet tegen de buitenlandse bezetting oplaaide. Tijdelijk bestuurder Paul Bremer III voerde ook een sektarisch systeem in: machtsposities werden naar rato over de verschillende religieuze en etnische gemeenschappen verdeeld. Daardoor kreeg de shi’itische meerderheid de facto de meeste macht, wat de sunnitische minderheid nooit heeft kunnen verkroppen.

2006

Vrij snel na de invasie begonnen in Irak bloedige zelfmoordaanslagen, onder andere op shi’itische heiligdommen en hooggeplaatsten. Ook Amerikaanse militairen werden doelwit van zogeheten ‘dead-enders’ (een Amerikaanse term voor overgebleven Saddam-aanhangers) en van sunnitische moslimextremisten. In de laatste categorie speelde de beruchte eenbenige Jordaniër Abu Musab al-Zarqawi een steeds belangrijker rol. Hij werd de leider van wat Al-Qaeda-in-Irak ging heten.

Hij trok de aandacht met ontvoeringen en onthoofdingen, waarvan hij gruwelijke video-opnames naar Al-Jazeera stuurde om de aandacht van de wereld op zich te vestigen. In februari 2006 blies zijn groep de koepel van de Gouden Moskee in Samarra op, een zeer belangrijk shi’itisch heiligdom. Shi’itische milities verklaarden de sunnieten de oorlog: de burgeroorlog was begonnen. Zarqawi zelf werd een paar maanden later door een Amerikaanse targeted killing gedood.

2007

Al-Qaeda-in-Irak was er al in geslaagd de macht te veroveren in uitgestrekte gebieden in het sunnitische midden van Irak, met name in de opstandige provincie Al-Anbar, die aan Syrië en Jordanië grenst. Onder de naam Islamitische Staat in Irak regeerde de groep haar rijkje met harde hand. Plaatselijke stammen kwamen echter in opstand tegen de extreme methodes van de jihadisten, die tribale leiders vermoordden en hun dochters als echtgenotes opeisten. Zij verenigden zich in de Sahwa (‘ontwaken’), een sunnitische militie die het tegen Al-Qaeda opnam. Het Amerikaanse leger maakte van het opstaan van de Sahwa gebruik voor een extra inspanning om een einde te maken aan de burgeroorlog. De ongeveer 80.000 manschappen van de Sahwa werden bewapend. De VS stuurden ook extra militairen naar Irak, de zogeheten Surge. Zomer 2007 werden shi’itische milities tot een staakt-het-vuren gedwongen; de bolwerken van Al-Qaeda, zoals de steden Falluja en Ramadi, waren tegen die tijd ook gepacificeerd.

Maar Al-Qaeda was niet verslagen; het had zich slechts uit het daglicht teruggetrokken. Zelfmoord- en andere aanslagen op shi’ieten en de ordediensten van de staat gingen in lager tempo in het hele land door. In Mosul, de op een na grootste stad van Irak, bleef een levensgevaarlijke mix van Ba’athisten en moslimextremisten actief.

2010

Amerikaanse militaire en civiele autoriteiten hamerden er bij de Iraakse regering op om de manschappen van de Sahwa in dienst te nemen om de sunnitische minderheden aan haar zijde te houden. De sunnieten herinnerden zich goede tijden onder Saddam (die in werkelijkheid ook niet zo goed waren) en begonnen de shi’ieten te zien als onderdrukkers. Maar de shi’itische premier Nouri al-Maliki, sinds 2006 tot deze week aan de macht, luisterde niet naar de Amerikaanse adviezen. Zijn bewind begunstigde allereerst de shi’itische meerderheid. De leden van de Sahwa werden werkloos; sunnieten kregen alle schuld voor de voortdurende aanslagen.

Zij voelden zich gebrandmerkt als terroristen; hun onvrede bleef groeien. In 2010 werd Abu Bakr al-Baghdadi leider van Al-Qaeda-in-Irak/Islamitische Staat in Irak. In tegenstelling tot de ongeletterde Zarqawi is Baghdadi (1971) een gestudeerd man; hij zou zijn gepromoveerd – op islamstudies – aan een universiteit in Bagdad. Volgens het Pentagon zat hij in 2004 vast in een Amerikaans interneringskamp.

2011

In Syrië begonnen in maart 2011 volksprotesten tegen het dictatoriale regime van president Bashar al-Assad. Ze waren het product van de ‘Arabische Lente’. Maar omdat 80 procent van de Syrische bevolking sunnitisch is, ontwikkelden de protesten zich geleidelijk in een sunnitische opstand tegen het gezag in Damascus van de alawitieten, een shi’itische sekte. Het gematigde Vrije Syrische Leger (FSA) van gedeserteerde militairen en lokale bewoners nam de wapens op om te vechten voor vrijheid en democratie. Maar er stonden ook radicalere groepen op die een islamitische staat in het vaandel hadden.

Saoedi-Arabië en Qatar gingen die opstand financieren, niet om democratie in Syrië te bevorderen maar om af te komen van een belangrijke bondgenoot van hun vijand Iran. Rijke, fundamentalistische particulieren in het Golfgebied stuurden tegelijk vooral geld en wapens naar gelijkgezinde strijdgroepen, die de opstand gingen domineren. Eén reden voor die groeiende dominantie was dat de gematigder organisaties hopeloos verdeeld waren, en nog steeds zijn. Een tweede was dat de radicale strijders fanatieker en gedisciplineerder waren. Een derde reden was dat de Amerikaanse en Europese bondgenoten daarvan heel voorzichtig waren – en zijn – met wapenleveranties.

2012-2013

Assad kreeg hulp van shi’itische strijders uit Libanon (Hezbollah) en Irak, militair advies en wapens uit Iran, en diplomatieke steun van Rusland. Vanaf 2012 werden aan de kant van het verzet jihadistische organisaties actief in de steeds bloediger Syrische oorlog. Voor hen ging het niet alleen om de invoering van het islamitisch recht, de shari’a, maar om de totstandkoming van een grensoverschrijdend islamitisch rijk, een nieuw kalifaat. Geestverwanten uit de hele wereld stroomden (via Turkije) naar Syrië om tegen de shi’ieten (alawieten) van Assad te vechten. Sunnieten in het buurland Irak veerden op: als hun geloofsgenoten in Syrië aan de macht kwamen, zou hun machtspositie ook verbeteren. Abu Bakr al-Baghdadi keek ernaar en besloot zijn organisatie naar Syrië uit te breiden. In april 2013 maakte hij de vorming bekend van de Islamitische Staat in Irak en al-Sham (ISIS). Zo maakte hij duidelijk de hele regio in zijn vizier te hebben: Al-Sham is Arabisch voor de Levant, de oude naam voor het gebied dat onder meer Irak en Syrië omvat, maar ook Jordanië, Libanon, Israël en Palestina. Baghdadi lijfde ongevraagd meteen ook de concurrerende Al-Qaeda-groep Al-Nusra in. Maar Al-Nusra maakte bezwaar bij Ayman al-Zawahiri van de ‘centrale Al-Qaeda’, die Baghdadi vanuit het Afghaans-Pakistaanse grensgebied ongenadig terechtwees. Al-Nusra kreeg het officiële Al-Qaeda-stempel, en Baghdadi kreeg opdracht zich tot Irak te beperken.

2013-2014

In Syrië trok Baghdadi, zoals intussen duidelijk is, zich niets van die missieve aan. Hij incorporeerde grote aantallen strijders van Al-Nusra, en zette de oorlog voort. Maar die was hoofdzakelijk gericht tegen andere rebellengroepen, niet zozeer tegen het regime van Assad – reden waarom veel Syrische oppositievertegenwoordigers geloven dat Assad en Baghdadi onder één hoedje spelen. Geleidelijk veroverden zijn manschappen een groot gebied in het noorden en oosten van Syrië, waar de ISIS kinderen en armen paaiden met snoepjes en goedkope stroom, maar alle kritiek met terreurmethodes onderdrukte. Onthoofdingen en kruisigingen werden gefilmd en aan de buitenwereld getoond, zodat iedereen goed wist dat alle verzet met een verschrikkelijke dood werd gestraft.

2013-2014

In Irak profiteerde Baghdadi van wat inmiddels niet langer onvrede maar woede van de sunnieten was. Hun aanvankelijk vreedzame protesten tegen hun marginalisering was door het overwegend shi’itische regeringsleger keihard neergeslagen. Het kostte ISIS zo geen moeite aan rekruten te komen. In januari 2014 veroverde de ISIS samen met een reeks bondgenoten, onder wie aanhangers van Saddam Hussein, de oude bolwerken Falluja en Ramadi. Het leger slaagde er niet in ze te heroveren. Het was een teken aan de wand: enkele maanden later viel de miljoenenstad Mosul in Baghdadi’s handen. Hier en in andere steden in de sunnitische regio gaf het leger de strijd zonder slag of stoot op. Wie in Baghdadi’s handen viel werd afgeslacht. Filmbeelden en foto’s daarvan werden een machtig wapen op zichzelf. Complete divisies sloegen op de vlucht. Koerdische pershmerga, ironisch genoeg te vertalen als ‘zij die de dood onder ogen zien’, werd haast zonder strijd te leveren verjaagd uit de bufferzone aan de grens van Iraaks Koerdistan. Te midden van de opmars van de gevreesde jihadisten renden honderdduizenden niet-moslims voor hun leven.

2014

Baghdadi heeft zichzelf inmiddels benoemd tot kalief. Het gebied dat de ISIS – intussen omgedoopt tot Islamitische Staat – in Syrië en Irak controleert is zijn kalifaat. Natuurlijke vijanden heeft hij te over: alle moslims die zijn gezag weigeren te erkennen, inclusief alle leiders van omliggende landen, de Saoedische monarchie voorop. Voorlopig doen die echter niets; ze weten niet wat, en willen bovendien Bashar al-Assad niet in de kaart spelen. Assad zelf beperkt zich voornamelijk tot offensieven tegen de gematigder oppositie. De gelimiteerde luchtaanvallen van de Verenigde Staten, en Amerikaanse en Europese wapenzendingen aan de Iraakse regering en de Koerden in Noord-Irak richten vooralsnog weinig uit, al wisten ze de omsingeling van de yezidi’s te doorbreken. Het Iraakse regeringsleger kan niets. Burgers worden geterroriseerd. Zo heeft de kalief voorlopig niet veel problemen.