Kinderen van Gaza

Een kind in Gaza moet snel volwassen worden. Kinderen van zeven hebben al drie oorlogen meegemaakt. Probeer dan je jeugd maar eens te behouden.

Mohammed wilde buiten spelen. Hij was drie dagen noodgedwongen binnengebleven omdat zijn wijk in Gaza-Stad hevig werd bestookt door het Israëlische leger. Maar nu was het rustig. Zijn vader zei dat hij in de haven mocht spelen. Dat was de veiligste plek omdat alle buitenlandse journalisten daar verbleven.

Uitgelaten rende Mohammed naar het strand, samen met zeven vriendjes die allemaal deel uitmaken van de Bakr-clan, een uitgebreide familie van vissers. Ze speelden ‘Arabier en Jood’, een populair spel onder Palestijnse kinderen. Het wordt gespeeld met twee teams. De ‘Arabieren’ moeten de ‘Joden’ vangen en in een zelfgemaakte gevangenis stoppen.

Het Arabische team had al een jongen te pakken gekregen, toen de eerste Israëlische raket neerkwam op een keet die dienst deed als gevangenis. Vier andere jongens renden naar een oude scheepscontainer, in de hoop daar veilig te zijn, maar werden geraakt door een tweede raket. Foto’s die op Twitter werden gezet, tonen hoe de inslag een golf van zand veroorzaakt vlak bij de rennende kinderen. Drie van de vier kwamen om.

„Die ochtend lag hij nog in mijn bed te slapen”, zegt Ramez Bakr (43). Hij zit in zijn huiskamer, een sigaret in de ene hand en een bidketting in de andere. Af en toe lopen familieleden en buren binnen om hun solidariteit te tonen met het verlies van zijn zoon.

Mohammed was een van de vier kinderen die op 17 juli om het leven kwamen toen Israëlische raketten neerkwamen op het strand van Gaza-Stad.„Zelfs als ik mijn werk en al mijn boten zou kwijtraken, zou dat nooit het verlies van Mohammed evenaren.”

Hij richt zijn blik naar de grond. „Toen hij wakker werd na drie dagen binnenblijven wilde hij buiten spelen. Ik zei dat hij naar de haven mocht gaan. Wat had ik anders moeten doen?”

„Mijn kinderen waren voorheen nooit bang tijdens de oorlog”, zegt Ramez. „Maar sinds de dood van Mohammed vliegen ze schreeuwend tegen de muur, elke keer als er een explosie is. ’s Nachts kunnen ze niet slapen. De jongste kruipt dicht tegen me aan.”

Hoge prijs

Kinderen hebben een hoge prijs betaald voor de oorlog. Er zijn in vier weken tijd 457 kinderen om het leven gekomen, een kwart van de slachtoffers. Van hen is tweederde 12 jaar of jonger. Ruim 3.000 kinderen zijn gewond geraakt. Het hoge aantal jonge slachtoffers is niet verwonderlijk. Gaza is een smalle, dichtbevolkte landstrook met een extreem jonge bevolking: 44 procent is jonger dan 14 jaar. Overal in de stoffige straten spelen kinderen, die nergens kunnen schuilen.

De oorlog zorgt behalve voor fysieke ook voor veel psychologische schade. Van een onbezorgde jeugd is geen sprake.

Kinderen van zeven jaar oud hebben al drie gevechtsrondes meegemaakt, en de laatste was veel erger dan die van 2008-2009 en 2012. Velen hebben naasten verloren, of zijn getuige geweest van de meest verschrikkelijke verwondingen. Unicef schat dat 373.000 kinderen getraumatiseerd zijn en psychologische hulp nodig hebben.

„Ouders moeten in eerste instantie veiligheid bieden, dus het is zeer traumatiserend voor een kind als ze dat niet kunnen”, zegt Jamil Abdel Atti, directeur van het Center for Mind Body and Medicine in Gaza, dat kinderen en volwassenen psychologische hulp biedt. „Kinderen krijgen slaapproblemen, plassen in bed, kunnen zich moeilijk concentreren. De zwaardere gevallen worden agressief of zonderen zich af. We zijn bang dat ze op de lange termijn een posttraumatische stress-stoornis ontwikkelen.”

Op het plein van een VN-school in Gaza-Stad zijn kinderen elkaar voortdurend aan het uitdagen. De meesten komen uit Beit Lahiya, een gebied in het noorden van Gaza dat grotendeels is verwoest tijdens de oorlog. Ze joelen en gillen, rennen op blote voeten achter elkaar aan, pakken snoep van elkaar af. Vanuit het niets duwt een meisje met een vuil roze shirt een jongen hard op de grond. Hij bedenkt zich geen moment en vliegt haar aan.

Geen zin om te spelen

„Er wordt hier veel gevochten”, zegt Farez Malahi (13), een jongen met een norse blik. „Ik hou er niet van, ik lok het zelf nooit uit. Maar als iemand me duwt of me probeert te provoceren, dan moet ik terugslaan. Anders denken ze dat ik zwak ben en blijven ze me lastigvallen.”

Farez vluchtte met zijn familie naar de school toen het Israëlische grondoffensief begon. Iedereen leeft nog, maar sommige familieleden raakten gewond. Farez houdt zich groot. „Ik huil nooit, ik ben een man. Als ik groot ben wil ik Hamasstrijder worden om mijn familie en mijn land te beschermen. De neef van mijn moeder is Hamasstrijder. Ik praat soms met hem. Als ik pamfletten vind die het Israëlische leger heeft verspreid, dan breng ik ze naar hem toe.”

Bashar el-Egla (10) heeft geen zin meer om met andere kinderen te spelen sinds de dood van zijn vader tien dagen geleden. Tijdens een luwte in de strijd ging die terug naar huis om kleding op te halen. „Precies op dat moment werd onze wijk gebombardeerd. Ik ben naar het ziekenhuis gegaan om zijn lichaam te zien, maar ik kon het niet. Zijn lichaam was volledig aan stukken geblazen. Ik heb mijn hoofd tegen de muur geslagen van verdriet.”

Bashar vertoont de eerste tekenen van post-traumatische stress-stoornis (PTTS). Elke dag zondert Bashar zich af in een hoekje van het klaslokaal waar hij verblijft. „Mijn lichaam voelt slap aan en er brandt een vuur in mijn hart”, zegt hij. Tijdens het gesprek is hij voortdurend afgeleid en zijn ogen zijn rood van het huilen. „Als ik met andere kinderen speel, dan heb ik het gevoel dat mijn vader naar me kijkt. Ik ben liever alleen om met hem te praten.”

Bashar wordt opgevangen door zijn oma. Zijn ouders zijn gescheiden en zijn moeder is naar het buitenland verhuisd. „Godzijdank ben ik op een veilige plek. Maar ik heb problemen met eten en slapen. Ik lag altijd naast mijn vader in bed, nu weet ik niet waar ik moet slapen. Ik heb nachtmerries waarin mijn vader me kust en knuffelt.”

Nauwelijks aandacht

In Gaza speelt familie een belangrijke rol bij het verwerken van verlies, zegt psycholoog Atti die onderzoek heeft gedaan naar PTTS in Gaza. Als iemand overlijdt, dan delen familieleden, vrienden en buren in het verdriet. Ze komen langs, halen herinneringen op en brengen eten mee voor de nabestaanden. „Het geeft mensen het gevoel dat ze niet alleen staan.”

Maar voor psychische klachten van kinderen is in veel families nauwelijks aandacht. Daarvoor hebben ze te veel kinderen en zijn ze te veel bezig met overleven. Neem de familie Bakr. Vader Ramez heeft na de dood van Mohammed nog twaalf kinderen over, zeven meisjes en vijf jongens. De wapenstilstand is van kracht en ze spelen buiten, waar weet hij niet. Af en toe komen een paar kinderen de woonkamer binnen, maar Bakr slaat weinig acht op hen.

Sinds de Israëlische blokkade van Gaza mag Bakr nog maar 2 kilometer de zee op om te vissen. „Er is geen vis meer te vinden”, klaagt hij. Zijn inkomen is gedaald tot ongeveer 1.000 sjekel (omgerekend 215 euro), niet genoeg om eten en kleding voor zijn kinderen te kopen. Buiten aan de waslijn hangen verwassen, gerafelde T-shirts en broeken met gaten. Het hoekhuis van grijze betonblokken wordt gedeeld door drie families, die ieder een eigen verdieping hebben. Ze eten samen om kosten te sparen. „Dan vertellen we elkaar verhalen over Mohammed.”

„Er is geen familie in Gaza die niet een naaste heeft verloren. Maar hoe kunnen ouders zorgen voor hun kinderen en ze opvoeden op een positieve manier als zij zelf nauwelijks functioneren als mens?”, zei Pernille Ironside, het hoofd van Unicef in Gaza, vorige week op een persconferentie in Genève. „Mensen hebben in een klap hun hele familie verloren. Hoe kan een samenleving hiermee omgaan? Dit is een diepe, diepe wond.”

Weigeren hulp te zoeken

Een groot deel van de bevolking heeft psychische hulp nodig. Maar veel mensen weigeren hulp te zoeken, uit angst voor gek te worden verklaard. Bovendien stelt de geestelijke gezondheidszorg niet zoveel voor in Gaza. Het ministerie van Gezondheid telt slechts 6 psychiaters en 22 klinische psychologen.

Het Center for Mind Body and Medicine, dat in 1991 in de Verenigde Staten is opgericht, probeert kinderen te helpen bij het verwerken van hun trauma. De hulpverleners zijn werkzaam in 27 van de 90 VN-schuilplaatsen in Gaza, waar een groot deel van de bevolking naartoe is gevlucht.

„Een trauma tast het deel van het centrale zenuwstelsel aan dat adrenaline, ademhaling en hartslag controleert”, legt Atti uit. „Daarom zijn veel kinderen zo hyperactief en kunnen ze zich niet concentreren. We gebruiken yoga, medicatie en tekenopdrachten om angst en stress te verminderen en het verwerkingsproces op gang te brengen.”

Deze technieken zijn eerder toegepast in Bosnië, Kosovo, Palestina en Israël. Het programma heeft bij de deelnemers voor aanzienlijke vermindering gezorgd van stress en depressie, zo blijkt uit een artikel dat gepubliceerd is in het Journal of Clinical Psychiatry.

Tanks en rode mannetjes

In een klaslokaal in een VN-school in Gaza-Stad zitten twintig kinderen op een grote cirkelvormige doek op de grond. Onder leiding van een hulpverlener doen ze meditatieoefeningen. Ze proberen zich te concentreren op hun ademhaling, ogen stijf dichtgeknepen, maar ze kunnen moeilijk stilzitten. Plotseling klinkt er buiten een harde explosie. De kinderen kijken verschrikt op, hun ogen schieten nerveus naar het raam.

Na de meditatie krijgen de kinderen papier en krijt. Ze moeten tekenen wat in hen opkomt. Het is een vorm van zelfexpressie om de diagnose en de behandeling te minimaliseren, legt Atti uit. Veel kinderen tekenen vliegtuigen die bommen gooien op huizen, drones met zoeklichten in de lucht. Een jongen heeft een grote tank getekend. Ernaast ligt een rood mannetje op de grond.

„Ons werk in de schuilplaatsen is slechts psychologische eerste hulp”, zegt Atti. „Al deze kinderen hebben nog maanden of zelfs jaren therapie nodig. We hebben ongeveer tienduizend ambtenaren van het ministerie van Gezondheid getraind. Maar is het bijna onbegonnen werk.”

    • Toon Beemsterboer