Je kunt ook te fatsoenlijk zijn

Beeld van Godzilla in Tokio, nu tentoongesteld vanwege de Amerikaanse remake van Godzilla dit jaar en de zestigste verjaardag van de eerste Japanse Godzilla-film. Foto: AP Photo

Japan wordt tegenwoordig vaak afgeschilderd als een land in verval. Daardoor komen buitenlandse bezoekers soms voor verrassingen te staan. Een parlementslid uit een minder welvarend deel van Noord-Engeland keek zijn ogen uit in de blinkende straten van Tokio, waar bezoekers in de rij stonden voor restaurants, bars en andere uitgaansgelegenheden. Was dit de hoofdstad van een al decennia door economische stagnatie geplaagd land? „Als dit een recessie is, wil ik er ook wel een”, riep de politicus uit tegen David Pilling, de toenmalige Japancorrespondent van de Financial Times.

Na ruim twee decennia van economische stagnatie zou je bijna denken dat Japan de zieke man van Azië is. Maar Pilling wijst er in zijn interessante boek vol verfrissende nieuwe inzichten op dat westerlingen zich wel vaker verkijken op Japan. In de jaren tachtig, op het hoogtepunt van de economische expansie van Japan, vreesden velen dat Japanse bedrijven de hele wereld onder de voet zouden lopen. Zulke commentatoren zaten er volgens Pilling even ver naast als de onheilsprofeten die Japan nu al volledig afschrijven. „Berichten over de dood van Japan zijn overdreven”, constateert hij droogjes.

Pilling herinnert er aan dat Japan wel vaker een verrassend vermogen tot vernieuwing heeft getoond in tijden van tegenspoed. Zo leek het toen nog feodale land ruim anderhalve eeuw geleden ook uitgespeeld, toen de Amerikaanse commodore Perry Japan met een handjevol oorlogsschepen – „waarachtige kastelen die vrij over zee konden bewegen”, volgens een verschrikte Japanse tijdgenoot – met harde hand dwong zijn isolement op te geven. Wat volgde was de zogeheten Meiji-restauratie. De Japanners begonnen geestdriftig met het moderniseren van hun staat en de economie. En het duurde niet lang of Japan was een geduchte mogendheid geworden.

Ook na de nederlaag in de Tweede Wereldoorlog, toen Japan in puin lag en alles verloren leek, toonden de Japanners een onvermoede veerkracht. Tussen 1955 en 1990 vervijftigvoudigden ze hun bruto binnenlands product, een nog altijd ongeëvenaarde prestatie.

In de tsunami van 2011, gevolgd door de ramp bij de kerncentrale van Fukushima Dai’ichi, zagen sommige commentatoren een nieuw keerpunt in de Japanse geschiedenis wat economische hervormingen betreft. Een erg solide kentering is het echter niet geworden. De Japanners vertoonden in de maanden daarna weliswaar veel saamhorigheid en de herbouw werd ijverig ter hand genomen, maar noch in economisch, noch in politiek opzicht veranderde er in eerste instantie veel.

Tot eind 2012. Toen trad Shinzo Abe aan als premier van een nieuw kabinet. Hij introduceerde de meest radicale economische en politieke hervormingen in decennia. Vooral de gedurfde manier waarop de centrale bank de economie probeerde aan te jagen door het drukken van kolossale hoeveelheden yens, trok de aandacht. Voor het eerst in bijna 25 jaar kreeg Japan te maken met enige inflatie in plaats van deflatie. Maar of Abe Japan daadwerkelijk uit het slop kan trekken, is nog niet duidelijk.

Paradox

Dat Abe’s opgave niet eenvoudig is, blijkt ook uit een uitvoerige en deskundige analyse van het hedendaagse Japan, door Keiko Hirata en Mark Warschauer in Japan. The Paradox of Harmony. De paradox is, stellen de Californische academici, dat de sterke kanten van de Japanse samenleving dikwijls ook de kiemen van problemen in zich bergen.

Veel van wat er in Japan gebeurt, is te verklaren uit het al eeuwenoude concept van ‘wa’: een ideaal van sociale harmonie. Dit is erop gericht eenheid en conformisme te handhaven binnen een sociale groep door middel van grote onderlinge loyaliteit. Dit concept is terug te vinden bij bedrijven, die bijvoorbeeld hun personeel niet snel zullen ontslaan maar wel maximale inspanningen en gehoorzaamheid eisen van hun werknemers.

Wa’ stimuleert ook een grote mate van onderling vertrouwen, gekoppeld aan een sterk ontwikkeld eergevoel. Dit klimaat draagt bij tot een verbazend lage criminaliteit. Zelfs de Japanse politie is bijna ontroerend goed van vertrouwen. Wie een agent vertelt dat zijn tas met portemonnee weg is en vraagt om geld om de trein naar huis te kunnen betalen, kan dat zo krijgen. Je moet alleen wel je naam en adres opgeven en beloven dat je het geld terugbetaalt. En in Japan doet ook bijna iedereen dat. Kwestie van eer en fatsoen.

Ook in het onderwijssysteem is het harmoniemodel terug te vinden. Het accent ligt daar eveneens op conformisme en op het versterken van het collectieve verantwoordelijkheidsbesef. Japanse kinderen wordt bijvoorbeeld al op zeer jonge leeftijd bijgebracht dat ze na de lessen gezamenlijk de klaslokalen en de toiletten schoonmaken. De leerkrachten doen ook mee.

Metroseksuelen

De sterke kanten van het Japanse model hebben het land veel welvaart gebracht. Maar andere aspecten die er ook altijd al in zaten, beginnen het land inmiddels op te breken. De nadruk op discipline en kritiekloze gehoorzaamheid aan superieuren leiden er soms toe dat achterhaalde productievormen te lang worden gebruikt. Er is te weinig ruimte voor nieuwe ideeën en innovatie. Soms staat de deur ook wijd open voor grootschalige fraude, zoals in 2011 bij de camerafabrikant Olympus, zonder dat de daders werden aangepakt. Zelfs in Japan zijn sommige mensen tot het kwade geneigd.

Een andere tekortkoming is het feit dat oudere werknemers hun jongere collega’s, die vaak creatiever zijn dan zijzelf, maar weinig ruimte gunnen. Zeker sinds de jaren negentig, toen de economie begon vast te lopen, vinden jongeren steeds lastiger een vaste baan en hetzelfde geldt voor vrouwen. En als ze al een baan hebben, moeten de jongeren dikwijls zo hard werken dat ze bijna geen tijd hebbenom een partner te zoeken en kinderen te krijgen. De opvoeding van een kind is bovendien zo kostbaar geworden dat ze zich vaak maar één kind veroorloven.

Een en ander leidt ertoe dat veel jongeren niet in staat zijn zelf een huis te kopen of te huren en relaties aan te gaan of een gezin te stichten. Ze blijven bij hun ouders wonen, spelen daar computerspelletjes, kwijnen weg en verliezen in veel gevallen zelfs alle belangstelling voor het andere geslacht. De schrijfster Maki Fukasawa bedacht de term soshuku-kei danshi (gras etende mannen) naar analogie van gras etende dieren die genoegen nemen met wat ze maar om zich heen vinden. Ze zijn ook wel eens omschreven als ‘metroseksuelen zonder testosteron’.

Deze trends zijn uit demografisch oogpunt hoogst verontrustend voor Japan. De bevolkingssamenstelling behoort nu al tot de meest vergrijsde ter wereld, mede doordat Japanners steeds ouder worden.

Een voor de hand liggende oplossing zou zijn om het land open te stellen voor meer immigranten. Maar de meeste Japanners huiveren bij dat idee.

Het voordeel zou dus ook zijn dat Japan meer oog krijgt voor de buitenwereld en misschien ook eens wat meer Engels zou leren. In dat opzicht bungelt Japan namelijk internationaal al heel lang in de achterhoede.

Zowel Pilling als Hirata en Warschauer beseffen heel goed dat Japan zijn koers op veel terreinen moet verleggen omdat het land anders verder in het slop raakt. Ze suggereren in hun goed geschreven boeken vernieuwing en meer openheid jegens de buitenwereld. Maar of dat voldoende is om de relatieve neergang van Japan van de laatste decennia te keren, blijft hoogst onzeker.

    • Floris van Straaten