Is het kunnen of wíllen vechten?

In Nederland klinkt steeds vaker de roep om militaire actie. Zal onze legalistische mentaliteit echt veranderen?

Een F-16 stijgt op van luchtmachtbasis Volkel. Foto Bas Czerwinski

Het ging hard deze week. Een Tweede Kamerlid van de Staatkundig Gereformeerde Partij wilde Nederlandse F-16’s naar Irak sturen om de opmars van de milities van de Islamitische Staat te blokkeren. Andere Kamerleden wilden dat het kabinet uitspreekt dat IS-strijders zich aan genocide bezondigen en sloten militaire consequenties niet uit. En dan was er nog een opzienbarende column van een prominent medewerker van het wetenschappelijk bureau van de Partij van de Arbeid die opriep tot „meer moedige strijdbaarheid”.

Hangt er iets in de lucht? Breekt na deze zomer van internationaal geweld in Nederland de tijd aan van militaire herbezinning? PvdA-er René Cuperus verwoordde het dinsdag in zijn Volkskant-column zo: „In het naoorlogse Europa ontbreken de juiste registers en toonsoorten om om te gaan met kwade bedoelingen. We zijn verwend geraakt door vrede en welvaart.” Het op Venus vertoevende Europa had volgens Cuperus dan ook „opnieuw een scheutje Mars nodig”.

Joris Voorhoeve, oud-minister van Defensie, gespecialiseerd in internationale betrekkingen ziet „een zekere verharding” ontstaan. Een „koerswijziging” wil hij het nog niet noemen, maar een verandering van het maatschappelijk klimaat als gevolg van alle recente ontwikkelingen is het volgens hem wel degelijk. „Mensen zijn zich bewuster geworden van de bedreiging van de veiligheid die altijd op de loer ligt. Europa is gewend geraakt aan een zeer veilige periode waarin men weinig voor het behouden van eigen veiligheid hoefde te doen. Dat geldt zeker ook voor Nederland. We dachten in eeuwige vrede te kunnen leven, maar dat is nooit zo geweest. De wereld blijkt nog steeds erg gevaarlijk.”

Onze houding verandert dus. De spreekwoordelijke vuist op tafel doet zich steeds vaker voor. De toon wordt steviger. Het zogeheten vredesdividend, een kwart eeuw geleden ontstaan na de val van de Muur en de daarop volgende ineenstorting van de Sovjet-Unie, is verbruikt. „Verdere bezuinigingen op Defensie liggen gegeven de zich ontwikkelende mondiale veiligheidssituatie niet voor de hand”, schreef het kabinet afgelopen donderdag aan de Tweede Kamer. Eerder is verhoging van de Defensiebegroting te verwachten. Extra geld voor militaire uitgaven staan hoog op de agenda van de begrotingsbesprekingen die maandag beginnen.

Zal dat ook de mentaliteit veranderen? Kunnen vechten is nog iets anders dan wíllen vechten. Amerikanen komen wel van Mars – de metafoor is van de Amerikaanse historicus Robert Kagan. Zijn boek Of Paradise and Power: America and Europe in the New World Order verscheen in 2003, toen het Westen sterk verdeeld was over de door de Amerikaanse president George W. Bush geïnitieerde oorlog tegen Irak. Blairs Verenigd Koninkrijk deed mee, maar Frankrijk, Duitsland en Italië keerden zich fel tegen de Amerikanen. Nederland nam een hybride tussenpositie in door de inval wel politiek, maar niet militair te steunen.

MH17

Irak was de aanleiding, maar het debat ging dieper. Waren Europeanen nog wel bereid om te vechten? Dat is de vraag die na het oorlogsgeweld van de afgelopen tijd rond Oekraïne en de ontwikkelingen in het Midden Oosten opnieuw speelt. Met opeens een, niet zelf gekozen maar wel bijzondere, rol voor Nederland na het neerhalen van vlucht MH17, waarbij 196 Nederlanders om het leven kwamen.

De dramatische beelden van de rampplek waar Nederlanders aanvankelijk geen toegang hadden, leidden tot frustratie en woede. Stuur Nederlandse special forces om de lichamen op te halen, zei het gevoel van de straat, terwijl het kabinet in die begindagen nog in uiterst voorzichtige en vooral niet beschuldigende bewoordingen de Russen tot medewerking probeerde te bewegen.

Hard power of diplomatie; het werd het laatste, met beperkt resultaat. Vorige week moest de internationale missie, inclusief een contingent ongewapende marechaussees, de bergingswerkzaamheden staken. Het was te gevaarlijk geworden. Had de toegang tot het gebied dan toch maar geforceerd moeten worden?

Uitgerekend de militairen hadden van het begin af aan bezwaren tegen deze optie. „Ik begrijp de woede, frustratie en machteloosheid van mensen. Maar plannen die op emotie gebaseerd zijn, zijn gedoemd te mislukken en leiden tot grotere ellende”, reageerde oud-generaal Van Kappen. Premier Rutte herhaalde het een week later na een ingelast kabinetsberaad: „Inzetten op het veiligstellen van de rampplek via een militaire operatie sluit misschien wel aan bij het gevoel dat veel mensen, onder wie ikzelf, hebben maar het draagt simpelweg niet bij aan het realiseren van onze allerhoogste prioriteit: het zo snel mogelijk repatriëren van de slachtoffers.”

Maar had het op zijn minst niet geprobeerd moeten worden? Bijvoorbeeld, zoals de Amerikaanse columnist Richard Cohen suggereerde, om te laten zien dat een land niet met zich laat sollen. Voorhoeve vindt het niets: „Het is makkelijk om harde woorden te spreken en stevig schrijftafelteksten af te geven, maar een land als Nederland kan niet zomaar ergens militairen naartoe sturen. Dat kan geweldig uit de hand lopen. Daar was het kabinet terecht beducht voor.”

Vecht-impuls

Voorhoeve herkent in de vecht-impuls het Amerikaanse denken waar het eigen rechtssysteem boven het internationaal recht gaat. „Bij ons gaat het internationale recht boven het nationale recht.” Hij heeft gelijk. Nederland profileert zich er zelfs mee. Niet voor niets wordt overal ter wereld Den Haag als ‘internationale stad van vrede en recht’ in de markt gezet.

René Cuperus signaleert „een soort wereldvreemdheid” in Nederland en constateert dat precies hierin het probleem zit: „Nederland reageert te legalistisch en te internationaal-rechtelijk. Terwijl in de echte wereld van de geopolitiek het internationaal recht beschouwd wordt als een correctie achteraf. Anders gezegd: meer een mooie zondagswerkelijkheid later, dan de echte shit van de oorlog. Je kunt ook zeggen dat in de legalistische benadering de kracht van Nederland schuilt.”

    • Mark Kranenburg