‘Ik spreek Jacco nog best vaak’

Hij kreeg de taak om Jacco Verhaeren op te volgen bij de zwembond. Na de eerste schok is de rust teruggekeerd. Maar Alberda overlegt nog steeds met ‘Australië’.

Joop Alberda in Berlijn, bij het openwaterzwemmen. „Soms kan tegenslag goed uitpakken voor een sporter als Ranomi.” Foto Gordon Welters

Een „medaillefabriek” noemde Joop Alberda de Nederlandse zwembond toen hij negen maanden geleden aantrad als opvolger van het sportieve brein, Jacco Verhaeren. Maar zelfs de nieuwe technisch directeur had niet kunnen denken dat die fabriek bij zijn eerste EK al na drie dagen zo productief zou zijn als in Berlijn: de medailles in open water maakt het toernooi nu al gedenkwaardig.

Toch verliep de wisseling van de wacht verre van vlekkeloos, erkent Alberda. Het vertrek van Verhaeren, twintig jaar het gezicht van de zwemtop, kwam keihard aan. „Iedereen was in verwarring”, constateert Alberda. „Jacco was de pater familias, de gids, de belichaming van succesvol zwemmen. Iedereen vroeg zich ineens af, vooral in Eindhoven: wie heeft hier nu de leiding?”

Acht maanden nadat Verhaeren bondscoach werd van Australië zijn de gevolgen nog merkbaar. Als maandag de langebaanraces beginnen ontbreekt Nederlands beste zwemster, Ranomi Kromowidjojo. In alle turbulentie rond het vertrek van Verhaeren vond zij haar draai niet meer. Ze worstelde met coaches en begint in oktober opnieuw. „Als iemand een vraag had ging hij naar Jacco”, zegt Alberda. „Het antwoord was altijd goed, want hij stond garant voor succes. Er was geen twijfel. Als de gids plotseling weg is, moet iedereen het kompas even kalibreren. Maar er bestaat geen tweede Jacco. Die moet je ook niet zoeken of proberen te maken.”

Erfenis van Jacco Verhaeren

Hijzelf probeerde die rol in elk geval niet over te nemen, verzekert Alberda, vooral bekend als bondcoach van de gouden volleyballers van 1996. „Ik heb geen verstand van zwemmen”, zegt hij eerlijk. Maar de ‘bondendokter’ raakte er de afgelopen maanden wel van overtuigd dat een aantal veranderingen noodzakelijk is om meer medailles te kunnen halen. „Er ligt een fantastische erfenis van Jacco. Wat er is neergezet, is allemaal topsport”, zegt Alberda. Hem is wel opgevallen dat de basis van de Nederlandse zwemsuccessen te smal is. „We hebben een uitermate bijzondere periode gehad, met Pieter van den Hoogenband, Inge de Bruijn, Marleen Veldhuis, Inge Dekker, Femke Heemskerk en Ranomi. Bij de mannen heeft Pieter in acht jaar tijd 85 procent van de Nederlandse olympische medailles sinds 1896 bij elkaar gezwommen. Dat zegt wel wat over de power van één man en wat daaromheen aan extra stimulans plotseling gebeurt. Bij de vrouwen is dat 35 procent. Dat geeft aan dat we het laatste decennium niet alleen een bijzondere coach hebben gehad, maar ook een bijzondere lichting van hoogwaardige talenten.”

Maar de Nederlandse school is in de ogen van Alberda te eenzijdig. Wat dat betreft komen de successen van Sharon van Rouwendaal en Ferry Weertman, die deze week Europees kampioen werden op de (olympische) tien kilometer, als geroepen. „We hebben een te weinig divers aanbod. Wij focussen alleen op de korte afstanden en alleen op de vrije slag. De lange afstanden hebben we een beetje geparkeerd. Ik vind dat een zwembond een breed programma moet aanbieden, van open water tot 50 meter en daarnaast alle slagen. Op de 100 en 200 meter vrije slag zit de grootste concurrentie in de wereld. De impact is maximaal, maar de kans op succes is klein.”

Zwemtop versnipperd

Een tweede belangrijke verandering heeft Alberda al in gang gezet. Hij vond dat de nationale zwemtop „te veel is versnipperd”, met kleine groepjes van vier of vijf zwemmers verdeeld over trainingscentra in Drachten, Amsterdam en zelfs twee groepen in Eindhoven. „Dat is inefficiënt en geen stimulans voor de sporters. Ik vond die groepen veel te klein, het is dodelijk saai als je heel veel moet trainen. Soms ben je gewoon met elkaar uitgepraat.”

Na ‘Berlijn’ wordt het nationale trainingscentrum uitgebreid van twintig naar dertig zwemmers in Amsterdam en Eindhoven: de nationale toppers, aangevuld met de grootste jeugdtalenten. „Na ‘Rio’ [de Spelen van 2016, red.] gaan we nadenken wat de beste locatie is als nationaal trainingscentrum. Ik heb daar wel ideeën over, maar dat moet je niet midden in een olympische cyclus veranderen.” En om meer talenten op te leiden, wordt het aantal regionale trainingscentra uitgebreid van drie naar zes of zeven.

Ook de situatie rond Kromowidjojo zette Alberda aan het denken. De Groningse veroorzaakte vorig jaar onbedoeld voor veel onrust in Eindhoven door van Verhaerens opvolger Marcel Wouda over te stappen naar de jonge assistent Christiaan Sloof. Nog geen jaar later besloot Sloof, toen de prestaties van zijn zwemmers tegenvielen, dat hij nog onvoldoende ervaring had om de olympisch kampioen naar Rio te begeleiden. „Ranomi heeft een zwaar jaar gehad. Ze had een sterke binding met Jacco, haar steun en toeverlaat. Die viel plotseling weg. Achteraf zijn volgens mij veel te snel beslissingen genomen over haar begeleiding. Toen zij bij Wouda vertrok, is de trainingsgroep van Eindhoven eigenlijk in tweeën gebroken. Dat geeft onrust in zo’n zwembad.”

Alberda vond het vooral pijnlijk voor Wouda, coach van onder anderen Heemskerk en Weertman. „Er liepen zwemmers bij hem weg, onder wie een olympisch kampioen. Als de beste zwemmer jouw groep verlaat en in datzelfde bad bij iemand anders gaat trainen, is dat een aderlating.”

Rust weergekeerd

Inmiddels is de rust weergekeerd in Eindhoven, met de aanstelling van Patrick Pearson en Kees Robbertsen als coaches naast Wouda. Alberda koos daarbij voor een nieuwe opzet. „De groepen worden groter en de coaches zijn verplicht de ploeg samen te begeleiden. Wouda schrijft heel goede trainingsprogramma’s en heeft veel verstand van de schoolslag. Dan is het bizar dat hij nooit kijkt naar een schoolslagzwemster als Moniek Nijhuis. Zo was het wel georganiseerd: ‘die vijf zijn van mij, die vijf zijn van hem’. Ik draai dat om: die vijftien zwemmers zijn van jullie alle drie. Ik ga een ruimte inrichten waar de coaches, die allemaal hun specialismen hebben, kennis uitwisselen om alle zwemmers beter te maken. Wie dat niet wil, krijgt geen baan zolang ik er zit.”

Over dat laatste besluit de zwembond na de EK in Berlijn. Het contract van Alberda loopt tot dit evenement. Hij wil graag aanblijven, maar alleen als de bond de ideeën die hij deze zomer op schrift stelde, overneemt.

En zelfs daarbij speelde Verhaeren een prominente rol, erkent Alberda. Net als ‘Kromo’ spreekt hij hem nog vaak. „Als ik iets wijzig, heb ik daar contact over met hem. Is dit logisch in het beleid dat jij hebt ingezet? Was jij ook van plan die kant op te gaan? Hij heeft een uniek fundament gelegd voor een wereldsport in Nederland. Het domste wat ik kan doen, is beleid maken dat de andere kant opgaat.”

Dat Verhaeren tegenwoordig ook andere belangen heeft, bij concurrent Australië, vinden beiden geen bezwaar. „Waarom zou hij niet met mij praten? Een van de oorzaken van de Nederlandse olympische successen is dat coaches en atleten vanaf de jaren negentig in een klein land gebruikmaken van een goede infrastructuur en regelmatig met elkaar om de tafel zitten. Jacco geeft geen geheimen prijs over het Australische zwemmen. Ik stel ook geen onethische vragen over de Australische aanpak. Uiteindelijk zijn het toch mensen die tegen elkaar moeten racen.”

Alberda kan al voor de eerste baanwedstrijden tevreden zijn over de EK, dankzij de unieke dubbelslag in open water. Maar hij hoopt op meer succes in het bad. En hij kijkt reikhalzend uit naar de terugkeer van gouden zwemster Kromowidjojo, die pas na ‘Berlijn’ weer zal trainen in Eindhoven.

Alberda kan niet zeggen of ze een jaar verloren heeft, op weg naar Rio. „Dat kun je alleen achteraf zeggen. Het kan de opmaat voor het einde blijken te zijn. Maar de meeste topsporters die ik ken, zeggen achteraf dat ze het meest hebben geleerd in een periode waarin het een keer echt fundamenteel tegenzat. Toen pas zagen ze echt de waarde van hun verantwoordelijkheid, van hun coach, en dat er ook andere oplossingen waren.”

De sprintster heeft een aantal doorslaggevende kwaliteiten voor een topsporter. Alberda: „Ze is een supertalent met een heel diepe motivatie. En ze is kritisch op zichzelf. Die zelfreflectie is een voorwaarde voor absolute toppers. Het kan net zo goed zijn dat ze na Rio zegt: het heeft me een jaar gekost na het vertrek van mijn coach, maar de keuze die ik daarna heb moeten maken, heeft me meer opgeleverd. En ze heeft één prachtig voordeel: ze heeft al drie gouden medailles. Die zijn voor altijd.”

    • Rob Schoof