Ik moest onderduiken voor de Hells Angels

Bert Voskuil (69) was onderzoeksjournalist en misdaadverslaggever bij Nieuwe Revu. Over zijn soms langdurige en intensieve contacten met criminelen schreef hij Alle dertien fout. „Het lukte meestal wel om het gezellig te houden. Meestal.”

Tekst Brigit Kooijman Foto Andreas Terlaak

Vuistslag

„Hoe komt iemand ertoe om die lijn over te gaan en een moord te plegen? En vooral: hoe vul je daarna je verdere leven in? Waarom is een man als meesteroplichter Ari Olivier, razend slim en met een groot talent voor ondernemen, nooit een eerlijke zakenman geworden? Dat waren de dingen die mij interesseerden. Ik wilde de mens achter de misdadiger leren kennen. Dat vereiste dat ik het vertrouwen won van brandkastkrakers, drugsdealers, moordenaars, en soms langdurig met hen optrok. Met Heer Olivier ging ik op ‘zakenreis’ naar Rusland, gangsterkoning Klaas Bruinsma heeft bij mij thuis gegeten. Ik heb nooit het idee gehad dat de kwaliteit van mijn werk geleden heeft onder die nauwe contacten. Het verhaal stond voor mij altijd voorop. Ik trok me niets aan van wat de criminelen ervan vonden wat ik schreef.”

Opblaaspoppen

„Ook een politieke outcast als Hans Janmaat wilde ik van dichtbij leren kennen. Van het cordon sanitaire om zijn partij, waar de rest van de politiek en de journalistiek toe hadden besloten, heb ik me nooit iets aangetrokken. Ik vond dat ik als journalist gewoon verslag moest doen van wat mij een belangrijke ontwikkeling leek. En dus nam ik weleens een bloemetje mee voor Wil Schuurman, Janmaats vrouw, en heb ik haar rolstoel geduwd nadat ze bij een aanslag haar been had verloren. Janmaat vond het altijd leuk om mij te zien, tot op zijn sterfbed aan toe. Maar ook bij hem ging ik altijd voor het verhaal. Als ik de neonazi’s in zijn entourage ‘opblaaspoppen’ noemde, zei hij: ‘Ik snap het wel, jij moet natuurlijk kritisch over mij schrijven van je hoofdredacteur.’ Dat liet ik maar zo.”

Manisch-depressief

„ Toen mijn vader op zijn 45ste stierf, bleef mijn moeder achter met acht kinderen: vijf stiefkinderen uit mijn vaders eerste huwelijk, mijn zus en ik, en mijn jongere broer die in aantocht was. Ik was toen anderhalf en heb mijn vader nooit gemist. Voor mijn moeder, die manisch-depressief was, was het zo’n klap dat ze maanden in een psychiatrische inrichting moest bijkomen. Ze is opgekrabbeld en heeft toen weer – met veel steun van haar familie – voor mij en mijn broer en zus gezorgd, tot wij op eigen benen konden staan. Daarna is ze weer ingestort. Een mooi verhaal wel, hè? Mijn moeder verdient een standbeeld. Ik heb alleen maar goede herinneringen aan haar. Zoals die zondagen waarop ze bij de kachel zat te lezen, en wij mochten doen wat we wilden. ’s Avonds kookte ze dan lekker voor ons. Dat kon ze wél.”

Rode biezen

„We gingen nooit op vakantie en droegen de afdankertjes van familieleden. Of mijn moeder kocht een stel broeken in de uitverkoop, lelijke grijze met rode biezen. Mijn broer vond het verschrikkelijk, hij werd ermee gepest. Ik zei gewoon dat het het nieuwste uit Amerika was. Weelde is totaal onbelangrijk, liefde is alles. Ik ben een zondagskind.”

Verstoten

„Veel criminelen die ik in mijn boek beschrijf, zijn opgegroeid in rijkdom maar met weinig liefde. De vader van Klaas Bruinsma was directeur van de Raak-limonadefabriek. Hij had geen tijd voor zijn kinderen. Zijn moeder dacht alleen aan zichzelf; ze verwaarloosde haar kinderen tot ze zelfs ondervoed raakten. Niet veel later heeft ze hen in de steek gelaten. Brandkastkraker Martin van den Esschert zat op de chique Kees Boeke-school in de klas bij prinses Christina. Hij had een stinkend rijke vader, een kille man die hem sloeg. Ari Olivier werd door zijn moeder verstoten. Niet dat ik vind dat een slechte jeugd een excuus is om crimineel te worden. Je hebt altijd een keuze. Oók de moeder die de verkrachter van haar dochter vermoordde, iemand voor wie ik gratie heb aangevraagd omdat ik vond dat ze met twaalf jaar gevangenis te zwaar ge straft was. Ze was intelligent en inventief, ze had die vent op allerlei manieren het leven onmogelijk moeten maken, maar hem niet moeten vermoorden.”

Weeffoutje

„In Nederland is nog nooit een misdaadjournalist omgelegd, dus nee, zo’n gevaarlijk beroep is het niet. Natuurlijk heb je over het algemeen wel te maken met mensen die een weeffoutje hebben, dus dat vertrouwen winnen en houden is soms een lastige balanceeract. Zo’n Bruinsma bijvoorbeeld wilde graag tegenspel in discussies, maar hij wou vervolgens wél graag winnen. Dus dan moest ik mezelf weleens inhouden, om hem niet kwaad te maken. Kennelijk voel ik dat soort dingen goed aan, het lukte meestal wel om het gezellig te houden. Meestal. Willem van Dijk, het opperhoofd van een beruchte Hilversumse familie van geweldplegers en moordenaars, zei ineens, toen ik rustig met hem in de huiskamer zat te praten en een kritische vraag stelde: ‘Je moet nú weggaan, anders gebeuren er dingen die jij en ik niet willen.’ Ik ben niet gauw bang, maar toen ben ik toch maar snel verdwenen.”

Big Willem

„Wat mij vaak geholpen heeft, is dat ik op het juiste moment een grap weet te maken. Jaren geleden werd ik ontboden bij Big Willem, de leider van de Hells Angels. Die hadden gehoord dat ik bezig was met een verhaal over hun afpersingspraktijken. Ik had een enorme snee op mijn neus, door een onhandige beweging bij het tennissen die ochtend. Het eerste wat ik zei toen ik binnenkwam in hun honk, een zolder boven een café dat ze de eigenaar hadden afgetroggeld, was, wijzend naar mijn neus: ‘Jullie begrijpen wel wie hier de schuld van krijgt, hè?’ Ik zag al die opgepompte kerels grinniken. Later heb ik trouwens alsnog een paar weken moeten onderduiken voor de Hells Angels. Ik heb toen ook mijn uiterlijk veranderd: een ander kapsel, snor eraf, bril op. Die vermomming was zo goed dat mijn eigen familie me niet herkende.”

Buurman

„Zo dicht mogelijk bij de waarheid proberen te komen, meer kun je niet doen. Checken wat je kunt, bij oud-politiemensen, advocaten, tipgevers uit het criminele circuit. Een goed netwerk is belangrijk. Maar dan nog word je soms compleet verrast. Toen in 2002 in Klundert het meisje Naomi en haar moeder vermoord werden gevonden, ben ik erheen gereden en heb ik twee uur zitten praten met een buurman. ‘Wie doet nou zoiets?’ zei hij steeds. Hij bleek de dader te zijn.”

PTSS

„Echt close ben ik met niemand geworden. Voor sommige criminelen heb ik begrip of zelfs sympathie gekregen. Maar ze werden nooit mijn vrienden, al werd dat door die ander soms wel zo ervaren. Wijlen Paul Wilking, Pistolen Paultje, zag mij als een goede vriend. Heer Olivier vroeg mij getuige te zijn bij zijn vierde huwelijk, ik zei spontaan ja. Dat had ik beter niet kunnen doen, maar ik wilde niet terugkrabbelen. Sommige van die mannen ken ik al tientallen jaren. Nu ze bejaard zijn, voel ik vaak mededogen. Willem van Dijk zit met een morfinepompje in een rolstoel. Veel oude criminelen lijden door alle spanning en stress aan een posttraumatisch stresssyndroom. Bij Geurt Roos, de vroegere lijfwacht van Bruinsma, is het officieel vastgesteld, al heeft hij er geen strafvermindering voor gekregen. Martin van den Esschert – hem leerde ik kennen bij de schrijf- en dichtclub voor daklozen in Haarlem, die ik acht jaar heb begeleid – zat ooit in een restaurant te eten met een Chinese drugshandelaar toen voor zijn ogen een man werd geliquideerd. Dit soort dingen vreten aan hem, hij heeft vreselijke nachtmerries. Daarbij heeft hij een versleten rug door het tillen van al die zware brandkasten.”