Ik doe dit omdat mijn passie ligt bij m’n medemens

„Pensioen? Nee, dat staat niet in mijn woordenboek. Ik krijg pensioen op m’n rekening gestort, dat natuurlijk wel. Maar voor de rest doe ik er niet aan.

„Elke maand rijd ik naar de gevangenis in Veenhuizen met drie kinderen op de achterbank. Ze bezoeken hun vader. Twee uurtjes mogen ze met hem in een familiekamer doorbrengen: beetje spelletjes doen, beetje tekenen, filmpje kijken. Daarna krijgen we wat te eten: meestal patat, kip, appelmoes, ijsje toe.

„Kun je je voorstellen wat het betekent voor een kind als je vader of moeder vastzit? Hoe houd je een band met elkaar als het contact jarenlang beperkt is tot twee uur per maand in een gesloten omgeving?

„Al een jaar of 25 doe ik vrijwilligerswerk in en rondom gevangenissen en huizen van bewaring. Via de cantorij van onze kerk ben ik ermee in aanraking gekomen. De geestelijk verzorger in het huis van bewaring, hier in Almelo, vroeg of we een keer aan de dienst wilden meewerken. ‘Dan ben ik niet de enige die zingt’, zei ze.

„Sindsdien ga ik naar de kerkdienst van de gedetineerden. Na afloop drinken we koffie. Dan hoor je hun verhalen. Het heeft me bevrijd van een hoop clichés en vooroordelen over crimineel gedrag. Mensen vragen me wel eens: ‘Waarom doe je dat werk eigenlijk? Die lui zitten toch niet voor niks in de gevangenis?’

„Ik doe het omdat mijn passie ligt bij m’n medemens. Zelf heb ik alle geluk van de wereld gehad: gelukkige jeugd, een fijn gezin, werk, mooi huis, mijn liefde voor muziek, die me intens laat genieten. Iets van die vreugde wil ik overdragen op mensen die veel minder hebben getroffen dan ik.

„Het Evangelie heeft me geleerd: ‘Bezoek de gevangenen.’ Het is een van de ‘zeven werken van barmhartigheid’. In die traditie ben ik opgevoed. Ik loop er niet mee te koop, ik ben geen zendeling. Het is mijn innerlijke bron van energie en inspiratie. Jezus maakte geen onderscheid tussen mensen. Eens een dief, altijd een mens...

„Natuurlijk, mensen zijn in staat de vreselijkste misdaden te begaan. Je hebt draaideurcriminelen, die een leven lang over de schreef gaan. Het is niet aan mij om hen te veroordelen. Daar hebben we rechters voor. Wel weet ik dat gevangenisstraf nauwelijks iets oplost.

„Wie drie maanden heeft vastgezeten, is alles kwijt. Geen huis meer, geen uitkering, geen ziektekostenverzekering, vaak geen partner meer, verstoord contact met kinderen en andere familie. Ik heb dat zo vaak gezien bij ex-gedetineerden die ik heb begeleid bij hun terugkeer. Alleen al de administratieve rompslomp vormt een enorme drempel. En de meesten komen toch al niet uit milieus waarin keurig volgens de regels wordt geleefd en alle formulieren netjes worden ingevuld. Veel makkelijker is het om je weer door je ouwe vrienden op sleeptouw te laten nemen.

„De laatste jaren richt ik me vooral op ouders en kinderen van gedetineerden. Ik kom bij hen thuis, in huizen die er heel anders uitzien dan mijn eigen huis – laat me ‘t zo maar zeggen. Je denkt: och, och, dat hier kinderen moeten opgroeien... Het gedetineerde familielid is er vaak niet het enige probleem. Soms lopen er wel vier of vijf hulpverleners in en uit: jeugdzorg, maatschappelijke werk, schuldsanering, noem maar op.

„Per 1 januari verandert alles in de hulpverlening. Met gezinscoaches, meer coördinatie. We zullen zien wat dat oplevert. Niet alle verandering brengt verbetering. Dat merk ik bij de Kindertelefoon, waarvoor ik vijfmaal per maand een dienst van drie uur doe, aan de telefoon of chattend.

„Een paar jaar geleden, toen André Rouvoet minister van Jeugd en Gezin was, is de Kindertelefoon gratis geworden. Het klonk mooi: lagere drempel voor kinderen in nood. Maar wat zie je? Vooral het aantal niet-serieuze telefoontjes is toegenomen: kinderen die voor de grap opbellen, fantasieverhalen vertellen, vragen of ze een liedje mogen zingen.

„Toch blijft het een groot goed dat de Kindertelefoon bestaat. Kinderen in nood leven vaak totaal geïsoleerd, ze overzien de situatie niet waarin ze verkeren: mishandeling, seksueel misbruik – ze denken dat het ’normaal’ is, dat het bij hun leven hoort.

„Ik werk zowat mijn hele leven al voor en met kinderen. Ik was negentien jaar toen ik klaar was met de Kweekschool, en hup: daar stond ik voor de klas, met 44 kinderen. Een jaar later ben ik getrouwd, in 1962, wat toen nog inhield: stoppen met werken. We kregen drie zonen in drie jaar tijd; onze dochter werd in 1968 geboren.

„Onze jongste was nog een baby toen een vriend, ‘hoofd der school’, zei: ‘Ik zoek een leerkracht, is dat niks voor jou?’ Ik stond te trappelen. We hebben een kindermeisje in huis genomen voor alle uren dat ik werkte. Dat is altijd fantastisch gegaan, hoewel ik om me heen nogal wat kritiek kreeg. Wát, een getrouwde moeder die fulltime werkte? Dat kón toch niet, die kinderen moesten wel opgroeien voor galg en rad...

„Van 1968 tot 2001 heb ik non-stop voor de klas gestaan, waarna ik werd geveld door een hernia en in de WAO terechtkwam. Ik heb er letterlijk voor geknokt weer overeind te komen en mezelf weer te laten goedkeuren. Als inval-leerkracht ben ik weer aan de slag gegaan. En dat doe ik nog steeds, op een Montessorischool hier in de buurt: als er iemand ziek is, of een leraar heeft een studiedag, dan bellen ze mij.

„De school, de gevangenis, de kerk, de koren waarin ik zong – het brengt me allemaal in contact met heel veel verschillende mensen uit alle geledingen van de samenleving. Die wisselwerking heb ik nodig. Zij leren van mij, ik leer van hen, we hebben steun aan elkaar. Het houdt mijn horizon breed, het houdt me jong van geest - en dat heeft niets met leeftijd te maken, laat staan met pensioenleeftijd.”

    • Gijsbert van Es