De stille opkomst van Europese diplomatie

Na jaren in Brussel te hebben gewerkt, vertrok een diplomaat uit een klein Europees land vorig jaar naar New York. „Dat wordt aanpassen”, voorspelde hij toen. „In Brussel heb je als klein landje redelijk wat in te brengen. De EU is het centrum van de wereld. Maar bij de VN tellen alleen Europese landen mee die in de Veiligheidsraad zitten: de Britten en de Fransen. Wij niet. Aan de EU heeft niemand daar een boodschap. Dus ik denk dat ik eindelijk tijd krijg voor een hobby.”

Hij was laatst even terug in Europa. Gevraagd hoe het met zijn hobby stond, zei hij: „Geen tijd.” Want tot zijn eigen verbazing bleek er in New York zoiets te zijn als ‘Europese buitenlandse politiek’, niet van het hoogdravende soort maar juist zeer pragmatisch.

Hij gaf een voorbeeld. Eind maart, nadat Rusland de Krim van Oekraïne had afgesneden en geannexeerd, probeerde Oekraïne bij de VN een stemming te organiseren over de ‘ondeelbaarheid’ van het land. Als genoeg landen die resolutie zouden steunen, zou dat een afgang zijn voor Rusland (dat overigens niet bij naam werd genoemd). Maar vlak voor de stemming hadden de Oekraïners met lobbyen misschien 50 stemmen vóór verzameld – niet genoeg om de resolutie aangenomen te krijgen.

Velen hadden een déjà-vu: precies hetzelfde was Georgië overkomen in 2008. Eerst slaagde Rusland erin met een Blitzkrieg de regio’s Zuid-Ossetië en Abchazië van Georgië los te snijden. Vervolgens kregen de Georgiërs bij de VN niet genoeg stemmen voor een veroordeling daarvan. Iedereen weet dat landen VN-resoluties aan hun laars lappen – kijk maar naar de VS, Israël en Syrië. En toch was de Russische delegatie in 2008 triomfantelijk, omdat de resolutie er niet kwam. Dit, zei de diplomaat, „gunden we ze niet nog een keer”.

Dus ging de EU aan de slag. Tegenwoordig komen Europese diplomaten geregeld samen om hun standpunten te coördineren. Bij de VN en andere internationale organisaties stemmen ze graag als blok. Tijdens zo’n vergadering spraken ze af dat ze allemaal een aantal landen over de Oekraïense resolutie zouden belobbyen, om te proberen genoeg stemmen te krijgen. Dat deden ze. Met resultaat: op 27 maart werd de resolutie aangenomen met 100 stemmen voor, 11 tegen en 58 onthoudingen. Russische diplomaten hadden zwaar de pest in.

Grote politieke issues bij de VN zijn voor individuele Europese landen moeilijk te beïnvloeden. Dezelfde grootmachten maken daar al sinds de Tweede Wereldoorlog de dienst uit, hoewel de globalisering tegenwoordig overal is en er nieuwe grootmachten bij zijn gekomen. Wat evenmin helpt, is dat Europese landen bijna allemaal bezuinigen, ook op diplomatie.

Er is méér globalisering, meer problemen zijn grensoverschrijdend – maar niemand heeft genoeg mensen op de permanente vertegenwoordiging om zoveel sociale, economische en andere issues te volgen.

Daarom slaan de Europeanen noodgedwongen ook dáár de handen ineen. Kleine landjes net zo goed als de grote. De een volgt ontwikkelingshulp wat beter, de ander mensenrechten, de derde ontwapening. Als er aanleiding is, houden ze elkaar op de hoogte.

Commentatoren laten geen kans lopen om de Europese buitenlandse politiek te bekritiseren: landen zijn uit op nationaal, niet collectief succes. Vaak klopt dat. Maar als je naar praktische samenwerking kijkt, kom je – niet alleen in New York – steeds meer ‘Europa’ tegen. En nu is er eens niemand die er over klaagt.