De statistiek van zware handicaps

Zal nummer twee ook zwaar gehandicapt worden? Ouders die die kans goed willen berekenen, moeten weten of zij zelf ‘stille’ dragers van de afwijking zijn.

Vaak ontstaat een genetische afwijking in de eicel of zaadcel. De afwijking komt dan in alle cellen van het embryo terecht.

Ouders die een kind met een ernstige handicap hebben, willen graag weten wat de kans is dat een eventueel volgend kind die handicap ook krijgt.

Om daarin te adviseren gebruikten klinisch-genetische centra historische statistieken. Maar dat levert een onderschatting van het risico op, ontdekten genetici in Nijmegen en Leuven in samenwerking met Amerikaanse onderzoekers in Houston.

De standaard risicoschatting gaat er namelijk vanuit dat de verantwoordelijke genetische afwijking spontaan ontstaat in die ene zaadcel of eicel die meedoet aan de bevruchting. Maar, schreven de Nijmeegse genetici vorige week in een publicatie in The American Journal of Human Genetics, in 4 procent van de gevallen blijkt de mutatie al ‘stil’ in een van de ouders aanwezig. Niet in alle cellen, maar in een deel, waardoor de handicap zich niet openbaart. Er bestaat bij hen ‘een genetisch mozaïek’ in de geslachtscellen.

Opeens risico van 50 procent

„Als één van de ouders zo’n mozaïcisme heeft, hebben zij ineens een heel hoog herhalingsrisico”, zegt genetisch onderzoeker Lisenka Vissers van het Radboud UMC in Nijmegen. „Als de afwijking bijvoorbeeld in tien procent van zijn of haar bloedcellen zit, is de kans groot dat het ook in de geslachtscellen zit, en loopt het risico op een tweede kind met dezelfde afwijking mogelijk zelfs op naar 50 procent.

„Is dat mozaïcisme er niet, dan is het risico op een tweede kind met een handicap gelijk aan het percentage in de algemene bevolking, een half procent.”

Vissers en haar team analyseerden voor deze studie het DNA van honderd kinderen met een verstandelijke handicap en dat van hun ouders.

Ongemerkt drager

Meer dan de helft van deze informatie werd aangeleverd vanuit Nijmegen, waar deze zeldzame genetische afwijkingen al langer onderzocht worden. Gemiddeld komen deze handicaps voor bij 1 tot 2 procent van de bevolking, waarbij er bij ieder kind weer een andere mutatie in het spel is.

Bij vier van de honderd families bleek de mutatie al bij een van de ouders aanwezig. Die kon ongemerkt drager van de afwijking zijn omdat andere cellen in zijn of haar lichaam het gebrek konden compenseren. Maar bij hun kind, dat voortkwam uit een embryo waarbij alle cellen de mutatie bevatten, kon het zich dan openbaren als een ernstige stoornis.

Met deze kennis kunnen ouders beter advies krijgen, zegt Vissers.

„Wat we nu kunnen doen is tot op de basenparen nauwkeurig uitzoeken welke genetische afwijking het eerste kind heeft en kijken of we dat patroon terugvinden in cellen van de ouders. Als we die afwijking in de bloedcellen terugvinden, is het waarschijnlijk dat die ook in de geslachtscellen zit, en is de kans op herhaling verhoogd.”

    • Sander Voormolen