De huifkar

Elke week staat op deze plek een fictieverhaal. Deze week: het begin van de westernroman Schurkenbloed van James Carlos Blake.

In de zomer van 1845 was Edward Little zestien jaar en rusteloos van bloed. Hij lag in het ochtendgrauw naast de stal op zijn knieën bij een boomstronk en zat er geconcentreerd in te kerven. Hij had vaak op die stronk zitten kijken hoe de zon wegzonk in het geboomte en zich dan afgevraagd hoe groot de afstand was van waar hij zat tot waar het nog volop dag was. Zijn ouders hadden in het najaar van ’42 de wijk genomen naar deze onherbergzame uithoek even ten oosten van de Perdido, op bijna twee dagen rijden ten noorden van Pensacola, toen Daddyjack hen halsoverkop uit de binnenlanden van Georgia had meegesleurd na een vechtpartij op een dansavond waarbij een man het leven had gelaten, wat voor de plaatselijke vrederechter aanleiding was geweest om een onderzoek in te stellen.

Het slachtoffer heette Tom Rainey. Hij was een vroegere jeugdvriend van Edwards moeder en had het lef gehad haar ten dans te vragen. Ze had bij wijze van waarschuwing en als weigering het hoofd geschud, maar nog voordat hij zich had kunnen omdraaien, had Daddyjack al met rode ogen van de drank en diep beledigd over Raineys vrijpostige gedrag jegens zijn vrouw voor hem gestaan. Harde woorden hadden uitgemond in een worsteling, mensen waren opzij gesprongen toen er een tafel omver werd gegooid en vervolgens had Rainey met grote, verbaasde ogen naar het heft gestaard van het mes dat stevig door Daddyjack omklemd uit zijn borstbeen stak.

Edward was toen dertien en had al mannen zien sterven onder gevelde bomen, door de trap van een muilezel tegen hun hoofd en met grote, koortsige ogen in hun stapelbedden, maar nu was hij voor het eerst getuige van moord en het bloed raasde door zijn aderen vanwege het snelle en onherroepelijke vonnis en Daddyjacks vastberaden gezicht toen hij het mes nog een keer stevig omdraaide voordat hij het lostrok. Rainey wankelde en zijn trekken werden slap terwijl hij naar de scharlaken bloem voor op zijn hemd staarde, toen draaiden zijn ogen wit weg en viel hij dood neer.

Daddyjack rende zo snel mogelijk naar buiten met zijn vrouw en kinderen terwijl bij de deur allerlei mensen opzij sprongen. De jongen had een droge mond en hapte naar adem in het besef dat hij zojuist iets van zichzelf had gezien, iets afschuwelijks en opwindends tegelijk, allesoverheersend en onbetwistbaar, een grimmig gebied van zijn eigen wezen dat op hem wachtte als een horizon in een woest landschap rood als de hel.

Hun huifkar had zich met horten en stoten in de richting van Florida gespoed, over smalle, modderige paden die zich door diepe naaldwouden slingerden, drassige prairies doorkruisten en langs schimmige, dicht bemoste moerassen voerden waar de avondnevel ongrijpbaar opvlamde. Daddyjacks paard liep er aan een leidsel achteraan en hun twee honden draafden aan weerskanten mee. Bij de schaarse kruiswegen stond soms een herberg waar Daddyjack het tweespan halt kon laten houden en even naar binnen kon wippen om het plaatselijke distillaat te proeven, terwijl Edward en zijn broer John de dieren drenkten en de gesprekken van passerende reizigers beluisterden.

Menige langskomende kolonistengroep was op weg naar de Republiek Texas. De emigranten hadden allen gehoord dat Texas elke beschrijving tartte en ze spraken erover alsof ze het al met eigen ogen hadden gezien: de torenhoge naaldbomen en de vruchtbare gronden langs de rivieren, de lange bochtige kust en de golvende groene heuvels, de weidse vlakten die ontelbare kilometers ver naar de bergen in het westen reikten. Er was hun verzekerd dat iemand een goed bestaan kon opbouwen in Texas mits hij de moed had zich teweer te stellen tegen het Mexicaanse leger en de rondtrekkende bendes rode wilden. En het zou binnenkort toch een staat worden, de Mexicanen konden de boom in met hun bezwaren. Daddyjack hoorde een keer een stel praten toen hij de muilezels weer naar het zuiden mende, hij schudde het hoofd en mompelde iets over idioten die dachten dat ze in Texas of op welke verdomde plek ook, aan zichzelf ontsnappen konden.

Op een regenachtige middag tijdens de rit naar Florida, toen Edward met zijn broer en zus bij hun moeder achter in de huifkar zat terwijl Daddyjack het muilezelspan voortjoeg door de regensluiers en het water van zijn hoedrand stroomde, fluisterde ze hun toe dat Jack Little een moordzuchtige man was die nooit moest worden bewonderd en nog veel minder vertrouwd. Het waren de eerste woorden die ze in meer dan een jaar had gesproken en Edward wist even niet of ze nu echt iets had gezegd of dat hij op de een of andere manier de gedachten in haar hoofd had gehoord. ‘Die man vreet jullie op,’ siste ze. ‘Jullie allemaal. Als jullie hem niet eerst vermoorden.’

Het meisje knikte instemmend, met strakke lippen, en keek haar broers vinnig aan. De broers wisselden onzekere blikken. Daddyjacks stem raspte de huifkar in: ‘Ik hoor net zo lief helemaal niks dan die gekkenpraat van dat wijf te moeten aanhoren.’

Ze zei die avond niets meer, en ook de drie daaropvolgende jaren niet, maar in het vuur van haar ogen zag Edward de gloed van de waanzin.