De boeken van 1989: ‘De geschiedenis van de eeuwigheid’ van Jorge Luis Borges

Foto NRC

Deze zomer leest Arjen Fortuin dezelfde boeken als 25 jaar geleden, in zijn eerste zomer als volwassene. Deze week: De geschiedenis van de eeuwigheid van Jorge Luis Borges.

‘Het leven is een wiel en het draait en ge ziet altijd iets nieuws en ge ziet altijd hetzelfde.’ Dat las ik in De voorstad groeit van Louis Paul Boon en er ging een woeste fascinatie vanuit. Niet om de cyclische tijd als literair procedé maar uit een vermoeden dat de geschiedenis zich ook in werkelijkheid herhaalde. Achttien is een leeftijd waarop je hoopt een wereldorde te ontdekken, 43 een leeftijd waarop de wereldorde je steeds meer angst aanjaagt.

Destijds griste ik De geschiedenis van de eeuwigheid (1936) van de bibliotheekplank en zette ik op 25 juli 1989 vol verwachting mijn tanden in Jorge Luis Borges. Waarna ik hem vier dagen lang volgde langs Plato, Plotinus, Schopenhauer en Augustinus – in een betoog dat op geen enkele wijze beantwoordde aan mijn verlangen. Van het filosofisch enthousiasme voor de eeuwige wederkeer (bij Nietzsche) laat Borges weinig heel.

Ook deze zomer duurde het een tijdje voor het jaren-dertig intellectualisme van Borges (1936) vat op me kreeg. Als hij iets uiteenzet dan is dat ook echt een uiteenzetting. Pas in tweede instantie ontwaarde ik de essayist. Bijvoorbeeld wanneer Borges een idee geeft van zijn eigen ‘povere eeuwigheid’ – de beschrijving van een steegje waarvan de huisjes aan de achterkant al half de pampa inzakken. Je leest het in verwondering, waarna in de studieuze vervolgessays steeds meer speelsigheden opvallen. Neem de hysterische inventarisatielust waarmee Borges de betekenissen van IJslandse kenningar opsomt. Pagina’s lang ordent hij, tot we weten dat ‘ dak van de walvis’, ‘aarde van de zwaan’, ‘straat van de zeilen’, ‘veld van de viking’, ‘weide van de meeuw’, en ‘keten van de eilanden’ allemaal aanduidingen van ‘de zee’ zijn. Het is te zot voor woorden, zoals ook de noodzaak van zijn vergelijkingen van de vertalingen van 1001 Nacht je aanvankelijk ontgaat.

Bij tweede lezing daagt het paradoxale van Borges’ ordeningen. Juist doordat ze zo speels tekortschieten, vestigen ze de aandacht op de kennelijke noodzaak om de wereld vast te leggen – om de eeuwigheid af te dwingen. Vergeefser wordt het niet, maar ook op melancholie laat Borges zich niet vastpinnen. In zijn laatste inventarisatie over scheldtaal trakteert hij op het versje:

Vijfentwintig stokjes

heeft een stoel.

Wil je dat ik ze stuksla

op je smoel?

Ja, denk je dan – dat is wat mij bij het lezen van De geschiedenis van de eeuwigheid is overkomen. En het komt me nog betekenisvol voor ook.

    • Arjen Fortuin