Beulen tot het uiterste om maar geen backpack-watje te zijn

Backpacken lijkt wel een wedstrijd jezelf zo authentiek mogelijk afbeulen. Laat die competitiedrift liever thuis, betoogt Inger van der Ree.

‘Je draagt toch wel je eigen bagage, hè?” De jonge vrouw bestudeert me van top tot teen. We staan op een bergpad, midden in het Himalayagebergte.

„En loop je alleen of met een gids?” Vast iemand die al dagen alleen loopt en behoefte heeft aan een praatje – denk ik nog.

„Ik draag zelf mijn bagage en nee, geen gids”, zeg ik. Een goedkeurende knik.

„Tot hoeveel meter ga je ?”, vraagt ze dan. Ik vertel dat ik in vijf dagen tijd 2.000 meter zal klimmen.

„Oh.” Haar enthousiasme verdwijnt meteen . Zíj is op 5.000 meter geweest. Gelijkwaardige competitie ben ik dus niet.

Iedereen kent wel iemand die zich geroepen voelde een paar maanden in Azië, Zuid-Amerika of Afrika te bivakkeren. Best begrijpelijk in deze tijd. Na twee masters, een aantal jaren cv- bouwen en nog stééds geen baan zit er soms nog maar een ding op: een succesvolle carrière als ontdekkingsreiziger. Met een rugzak vol romantische reisambities ver van die oneindige succescompetitie en het vermoeiende ellebogenwerk thuis.

Maar juist omdat er zóveel jonge mensen op reis gaan, hebben ze de behoefte zich te onderscheiden. Met ‘gewoon’ backpacken en verblijven in hostels maak je allang geen echte indruk meer.

Veel reizigers lijken daarom behalve een slaapzak en een Lonely Planet ook een flinke dosis competitiedrift van thuis mee te sjouwen in hun backpack.

Die competitiedrang manifesteert zich in een voortdurend en obsessief verlangen naar het meest oncomfortabele en ongerepte.

„De hotste bestemming is er een die schier onbereikbaar is”, schreef reisjournalist Ivo Weyel in NRC. Een rake observatie. In ons dagelijks leven zijn we mede door onze smartphones altijd en overal bereikbaar. Op reis willen we weg van dat alles. We willen barre omstandigheden, oerder dan oer en rauwer dan rauw – voor een paar maanden dan.

Natuurlijk: het geeft een enorme kick om ontberingen te doorstaan. Je treedt uit je comfortzone, en het idee dat je vergelijkbare ontberingen als Marco Polo of James Cook doorstaat, geeft je een haast almachtig gevoel. Afwassen met koeienpoep bij gebrek aan afwaswater en slapen op de grond bij locals thuis is het ultieme backpackideaal.

Toch ligt er gevaar op de loer: doorslaan in het afzien betekent een competitie voeren met jezelf maar vooral met anderen. In deze wedstrijd ben je alleen nog bezig met dat ene doel: het overwinnen van je tegenstander. Afzien betekent aanzien. En dus moet je harder dan hard.

Maar gingen we niet juist op reis om vrijheid te vinden? Om te stoppen met ons zelf te vergelijken met anderen en om afstand te nemen van de bewijsdrang die ons leven thuis vaak domineert?

Later op mijn reis kwam ik die jonge vrouw nog een keer tegen, dit keer in Kathmandu. Ze droeg een rood-groen gewaad en at naar Nepalees gebruik een bord rijst leeg met haar handen. Bij wijze van groet duwde ze haar ene handpalm tegen de andere. Een gebaar dat ik tot dan toe alleen bij boeddhisten had gezien.

Stiekem moest ik erom lachen. Je kunt duizend stippen op je voorhoofd verven, een Nepalees zul je toch nooit worden.

Je krampachtig vastklampen aan het paradoxale verlangen één te worden met de lokale bevolking is zinloos zelfbedrog. Net als het jezelf op een hoge berg afbeulen om maar geen backpack-watje te zijn. Op reis gaan was nou juist de uitgelezen mogelijkheid om dat in te zien.

    • Inger van der Ree