‘Als je jong bent worden er te veel eisen aan je gesteld’

We hoeven niet te rekenen op ruzie, Nelleke Noordervliet en Trudy Dehue gaan op zoek naar wat hen bindt. Vrolijk vertellen ze de verschrikkelijkste dingen over hun jeugd en hun moeders. Die van Nelleke Noordervliet werd ‘gestofwisseld’. „Geen flauw idee wat dat was. Ze werd ergens op aangesloten, of zoiets.”

Tekst Carola Houtekamer en Jannetje Koelewijn, foto’s David van Dam

Trudy Dehue (1951) en Nelleke Noordervliet (1945) omhelzen elkaar bij binnenkomst, al kennen ze elkaar nauwelijks. Ze gaan zitten, nemen een slok water en een slok wijn, en zeggen dat we niet op ruzie hoeven te rekenen. Geen „piefpafpoef”, zoals in eerdere afleveringen van de serie. Zij gaan op zoek naar wat hen bíndt.

Gelach.

Na drie minuten is er een bekentenis. Trudy kan niet koken. Ja, bloemkool, als haar man haar een avond alleen laat. „Bloemkool?” vraagt Nelleke. „Echt?”

Trudy: „Dat is helemaal niet moeilijk hoor. En toch lekker.”

Na vijf minuten is er weer een bekentenis. Trudy zou later, als ze klaar is met werken, wel fictie willen schrijven. „Ik ben altijd een bewonderaar van jou geweest”, zegt ze. Het was haar idee om Nelleke voor dit zomeravondinterview uit te nodigen.

„O ja?”, zegt Nelleke, licht spottend, verlegen met het compliment.

„Ja”, zegt Trudy.

Zelf is ze de schrijver van alles in twijfel trekkende boeken over depressie en adhd – hoe de wetenschap zulke diagnosen creëert, hoe de farmaceutische industrie ritalin en andere middelen propageert, hoe weinig we geneigd zijn ons falen en dat van onze kinderen te accepteren. Ze is psycholoog en filosoof en hoogleraar wetenschapstheorie en geschiedenis van de wetenschap. Maar ze kijkt als een schoolmeisje dat bij de juf op theevisite mag.

Nelleke, veelgeprezen schrijver van romans, verhalen en essays, knikt haar bemoedigd toe. „Fictie, nou, dat kun je toch proberen?”

Trudy: „Dat kun je proberen, ja.”

Nelleke: „Jij in jouw wereld, je hebt zoveel gezien en meegemaakt, je kunt een Onder professoren schrijven waar de mensen versteld van zullen staan.”

Trudy: „Nou, ik denk toch dat je dan onderschat...”

Nelleke: „Ik moet eerst altijd eindeloos studeren en research doen.”

Trudy: „Wat jij kunt en dat ik…”

Nelleke: „Je kunt schrijven, Trudy. Je boeken zijn goed geschreven. Je hoeft alleen maar je verbeelding te bevrijden.”

Trudy: „Maar hoe jij dat doet, Nelleke, hoe jij je verplaatst in mensen van eeuwen geleden, of het nou Johan de Witt is of een Amsterdamse hoer, en hen tot leven wekt, dat is niet alleen maar research, dat is ook…”

Nelleke trekt een gezicht.

Trudy: „…talent.”

Ze wil weten hoe Nelleke schrijver is geworden. Nelleke vertelt over haar studie Nederlands… daarna lesgegeven, gemeenteraadslid geweest, twee dochters gekregen… en dat ze altijd veel belangstelling voor geschiedenis had gehad, en toen… al durfde ze het eigenlijk helemaal niet, er waren al zoveel boeken, en wat had zij er nog aan toe te voegen… was ze geleidelijk aan begonnen met het schrijven van de gefingeerde autobiografie van Tine, de vrouw van Multatuli. „En dat”, zegt ze, „was mijn debuut.”

Trudy: „Hou oud was je?”

Nelleke: „Eenenveertig.”

Trudy: „Piepjong!”

Nelleke: „Vind ik nu ook.”

Trudy: „Stuurde je het op de bonnefooi naar een uitgever?”

Nelleke: „Nee, nee, dat durfde ik niet. Ik heb het laten lezen aan iemand die ik nog kende en die net een uitgeverij van non-fictie was begonnen. Hij zei dat ik ermee naar Meulenhoff moest gaan. Ik dacht, als hij het niks vindt, komt de klap wat minder hard aan.”

Trudy: „Ik sprak op een receptie van de uitgeverij met een schrijfster en ik vroeg waarom ze zo somber keek en toen zei ze” – met bedrukte stem – „ooooh, mijn boek komt morgen uit. De angst voor de kritiek…”

Nelleke: „…die ken jij ook, Trudy. Vreselijk. Vréselijk. Maar daar wen je dus aan.”

Trudy: „Lees John Updike’s Bech at Bay. In het hoofd van een ouder wordende schrijver beginnen alle negatieve citaten uit de recensies van zijn werk terug te komen, en dan gaat die schrijver op de meest gruwelijke wijze wraak nemen op zijn critici, en dat is zo leuk…”

Nelleke: „…hartstikke leuk, ja, alleen doen schrijvers dat nooit. Die worden, naarmate ze ouder worden, steeds sikkeneuriger en chagrijniger en ontzettend depressief.”

Trudy: „Echt waar?”

Nelleke: „Nou, ik wel, hoor.”

Gelach.

Nelleke, gedragen: „Nee, nee, het wordt er allemaal niet gemakkelijker op.”

Trudy, serieus: „Ik vind het leven alleen maar leuker worden. Ik denk steeds als ik ouder word: dít is een leuke leeftijd.”

Nelleke zwiept per ongeluk haar glas wijn over Trudy’s kleren. „Was dit water?”

Trudy: „Nou…”

Nelleke: „Nee natuurlijk.”

Trudy voelt voorzichtig aan haar broek en zegt dat het niet erg is.

Nelleke, een beetje gegeneerd nog: „Waar hadden we het nou over? O ja, wat ik vragen wou, had je dat ook toen je vijfentwintig was, dat je dacht: leuke leeftijd?”

Trudy: „Nee, toen niet.”

Nelleke: „Wanneer wel?”

Trudy: „Naarmate ik onafhankelijker werd en meer mijn eigen dingen kon doen. Toen ik niet meer zo ingesponnen was en meer overzicht kreeg: wat vind ik nou van al die eisen die aan me gesteld worden?”

Nelleke: „Welke eisen?”

Trudy: „Wat ik nu ook bij jonge mensen zie. Je opleiding, je werk, hoe je in de wereld staat, wat mensen van je denken. Het is allemaal zo veel. Ik geef les aan honours-studenten, en dan bekijken we samen een prachtige documentaire, Alles wat we wilden, [nog te zien op www.hollanddoc.nl], over vier jonge mensen die van zichzelf overal in moeten uitblinken, en als je dan hoort wat er volgens hen allemaal hun eigen schuld is, waar ze allemaal zelf voor verantwoordelijk zijn…”

Nelleke: „Was dat bij jou ook zo?”

Trudy: „Nee. Toen ik jong was, hoefden we niet onszelf te verbeteren, maar de samenleving. Wij moesten ervoor te zorgen dat er geen oorlog meer kwam.”

Nelleke knikt. „Als je de straat op ging en achter een spandoek ging lopen, was je al heel goed bezig. Maar Trudy, wij hadden wel de sociale druk om de goede opinies te hebben en achter de juiste demonstraties aan te lopen.” Ze wendt zich tot de jongste van ons twee. „Dat was ook helemaal niet zo gemakkelijk hoor. Ik weet nog dat ik totaal panisch was bij die demonstratie in 1981, of wanneer was het, 1983…”

Trudy: „Tegen de kruisraketten.”

Nelleke, alsof ze hyperventileert: „Die mensenmassa’s, vreselijk. Was jij daar eigenlijk bij, Trudy? Ik geloof niet dat ik je daar gezien heb.”

Trudy: „Het is de enige demonstratie waar ik aan heb meegedaan. Dat gevoel, waar ben ik nu in beland…”

Nelleke: „Omdat die massale demonstraties nooit helemaal weergeven wat je zelf vindt.”

Trudy: „Daarom ben ik gaan schrijven. Dan kun je precies zeggen wat je vindt.”

Nelleke: „Dat is zo. Schrijven geeft vrijheid.”

Trudy: „Ik heb op het moment intensief e-mailcontact met iemand die nogal depressief is en ik heb steeds de neiging om te zeggen: maar je kunt toch schrijven! Alsof dan alles is opgelost. Terwijl er dan…” Ze wrijft over haar natte broek.

Nelleke: „Precies, Trudy, dan is er nog helemaal niets opgelost.”

Trudy: „Jawel, jawel, want je kan het op papier zetten en dan is het gedeeltelijk…”

Nelleke: „Dat is zo, maar het helpt niet tegen een depressie. Als je die echt hebt.”

Trudy: „Als je die echt hebt, inderdaad. Maar wat ik bedoel is dat het mij kennelijk helpt bij…”

Nelleke: „Bij wat?”

Trudy: „Nou ja, ik kan in discussies vaak niet kwijt wat ik denk, en dan trek ik me terug op mijn kamer en werk ik net zo lang tot het allemaal op papier staat. En als anderen dan zeggen: je hebt woorden gegeven aan dingen die ik zelf ook zo ervaar, dan vind ik dat een ontzettende beloning. Ik vind het ongelooflijk dat mensen zomaar een paar honderd pagina’s lang het geduld hebben om naar mij te luisteren. Wat mag ik dan lang uitpraten, zeg.”

Nelleke: „Waar komt die behoefte om anderen te laten delen in jouw manier van kijken en redeneren vandaan?”

Trudy: „Als ik dat aan jou vraag, weet jij het dan? Dat weet jij toch ook niet?”

Nelleke: „Dan vraag je waarom ik schrijf. Daar zijn vele antwoorden op mogelijk, en een daarvan is dat het je gaat om zelfrealisatie en erkenning. Je probeert grip te krijgen op de wereld en tegelijkertijd wil je met die wereld in gesprek zijn. Je wilt terugkrijgen of het goed is wat je doet, of niet goed. Dat laatste is heel vervelend, maar dan nog gaat het om het individu ten opzichte van de anderen. Daar schrijf ik vaak over, over de verhouding tussen het individu en…”

Trudy: „Dat zit in je hele werk, ja.”

Nelleke: „…en de anderen. Maar geef eens antwoord, Trudy. Waar komt het bij jou vandaan?”

Trudy: „Dan zou ik eerst een jaar bij de psychiater op de bank moeten liggen.” Ze lacht. „Nou ja, één verklaring is misschien dat ik op school altijd ongelooflijk veel strafwerk kreeg. Ik snapte nooit waarom.”

Nelleke: „Was je niet braaf dan?”

Trudy: „Ik vond zelf van wel. Maar dan zat ik weer met al die strafregels.”

Nelleke: „Wat had je dan gedaan? Had je iets gezegd?”

Trudy: „Het ging meestal over iets zeggen, ja.”

Nelleke: „Brutaal gekeken?”

Trudy, aarzelend: „Nou…”

Nelleke: „Kritiek geleverd op docenten?” Met een Rotterdams accent (Nelleke is in Rotterdam geboren): „Nou meneer, dat is helemaal niet waar, wat u daar zegt.”

Trudy: „Niet op die toon. Het was denk ik omdat ik dingen die vanzelfsprekend lijken hardop betwijfelde. Waarom mensen nu dus ook vaak boos op me worden. Dat ik zei: u zegt dat nou wel, maar… Het enige wat ik me kan herinneren is dat ik het niet terecht vond.”

We vragen aan Nelleke of zij vroeger ook veel straf kreeg.

Nelleke: „Ik? Ik niet, hoor. Nee. Ik was hartstikke braaf.”

Trudy: „Oh ja?”

Nelleke, gespeeld ernstig. „Ja, vreselijk. Ik was ook altijd klassenvertegenwoordiger, nou, dan ben je echt de idioot. Ik zat op een meisjesschool, de nonnen waren de baas. Heel geleerde vrouwen, fantastisch. We hadden ook een godsdienstleraar, en dat was een man, vrij dom, heel ijdel ook. Ik ging graag met hem in discussie over wat hij zei, en de meisjes in de klas intussen maar kwekken. Als hij er niet meer tegen kon riep hij: Ik ga eruit! Jullie kunnen me in de kapel komen halen. En dat moest ik dan doen. Zat hij in de kapel in zo’n soutane met knoopjes op de bidstoel in diep gebed voor ons zielenheil.” Ze vouwt haar handen en slaat haar ogen ten hemel. „Kan de klas weer rustig zijn? Oh my god.”

We zeggen tegen Trudy dat zij van school is gestuurd.

„Huh?” zegt ze. „Hoe weten jullie dat?”

Dat heeft ze ons zelf verteld, aan de telefoon. „Ik zat op het gymnasium”, zegt ze. „Daar werd ik weggestuurd. Ik werd beschuldigd van fraude die ik niet had gepleegd.”

Nelleke: „Oh wacht even, nu komt het.”

Trudy: „Ik moest naar de mms.”

Mms?, vraagt de jongste van ons twee.

„Middelbare meisjesschool. Ze zeiden: ga jij maar het proefwerk dweilen doen. Later, toen ik een keer op televisie was geweest, kreeg ik een e-mail van een klasgenoot en die schreef dat gaandeweg alle meisjes waren weggestuurd.”

Nelleke: „Wat een krankzinnige toestand.” Tegen de jongste van ons twee: „De mms was een goede opleiding hoor. Talen werden uitstekend onderwezen. Die moest je beheersen voor als je later getrouwd was, dan kon je met je man mee naar het buitenland. En je leerde hoe je gastvrouw kon spelen.”

Trudy: „Ik weet nog een multiple choice-vraag bij natuurkunde: waarvoor dient afwasmiddel. A: om te schuimen. B: om lekker te ruiken. C: om vet op te lossen.”

Nelleke: „Nou, schuimen dus.”

Trudy: „Ik was zo beledigd. Daarna heb ik een hbo-opleiding gedaan en ben ik in de kinderpsychiatrie gaan werken.”

Nelleke: „En hoe kwam je er toen bij om verder te gaan studeren? Wilde je wraak nemen?”

Trudy: „Dan moet de psychiater er weer bij komen.” Ze lacht. „Ik stond een keer naast een psychiater in de tuin van de kliniek waar ik werkte, en het jongetje dat ik voor hem observeerde kwam naar ons toe: de blaadjes vielen van de bomen. De psychiater zei: castratieangst. Toen dacht ik: dat wil ik snappen.”

Nelleke: „Aha, die man keek natuurlijk met een Freudiaanse blik.”

Trudy: „Ja, dat er zomaar iets van je afvalt, een lichaamsdeel…”

Nelleke: „De boom verliest zijn blad, de man verliest zijn fallus. Logisch.”

Trudy, spottend: „Dat is toch heel plausibel?”

Nelleke: „Het is de verbeeldingskracht van fictie. Het heeft niets met wetenschap te maken.”

Trudy: „Heel veel in de wetenschap heeft niets met wetenschap te maken. Ik blijf waarom-vragen stellen. Waarom zo, waarom niet anders?”

Dat is, zeggen wij, ook wel bloedirritant.

Ze knikt en veegt nog een keer over haar broek, die nu bijna droog is.

‘Plat of bruis?”, vraagt de ober als we aan tafel zitten. „Het mag ook uit de kraan komen, hoor”, zegt Nelleke. „Het is goed water hier.”

Trudy: „Duinwater.”

Nelleke: „Een mooie fles duinwater, graag.”

Als de ober weg is pakt ze haar lege glas en doet alsof ze voorproeft. „Hmmm, een vleugje vanille.”

„Rood fruit”, zegt Trudy.

Nelleke: „Een klein bittertje.” Tegen ons: „Ik vroeg net aan Trudy of ze een sausje op die bloemkool van haar doet. Nee hoor, ze eet het gewoon zo op, achter de computer. Hooguit met wat blauwe kaas erbij.”

Trudy knikt. „Als ik in een uitbundige bui ben.”

We vragen aan Trudy of ze wel eens medicijnen heeft geslikt tegen psychische problemen. Iemand die zo kritisch schrijft over het effect ervan en de manipulaties van de farmaceutische industrie…

Trudy: „Ik heb wel eens pillen van mijn moeder gepikt toen ik op de middelbare school zat. Valium en librium, tegen de somberheid.”

Nelleke: „Dat zijn wel heel ouderwetse, ongedifferentieerde kanonnen.”

Trudy: „Heel veel vrouwen slikten die toen. Al die zich doodvervelende huisvrouwen die te weinig te doen hadden kregen valium en librium.”

We hebben gelezen dat haar (toen al overleden) moeder depressief was.

Trudy, afwerend: „Ja.”

Begreep ze haar moeders depressie?

Trudy: „Ik probeerde het wel. Ik dacht: als ik het nou maar snáp…” Ze onderbreekt zichzelf en zwijgt.

Ze praat er liever niet over?

Trudy: „Nou ja, ik heb dat over mijn moeder een keer verteld omdat er na De Depressie-epidemie werd gezegd dat ik niet wist wat een depressie was. Sliepuit, sliepuit, jij weet helemaal niet waar je het over hebt. Terwijl het boek begint met: ik wéét dat er heel erge problemen in het leven zijn. Toen heb ik naar de hemel gekeken en gezegd: sorry, mam, ik ga je gebruiken. Ik was het echt zat.”

Waarom vond ze het zo lastig om dat over haar moeder te vertellen?

Trudy: „Omdat ‘ze heeft het zelf gehad’ of ‘ze kent het van nabij’ geen argumenten zijn. Ik mag toch een boek over depressie schrijven zónder… Ik bedoel: dat ís toch ook geen argument?”

Nelleke: „Je verlaagt je tot argumentatie die niet de jouwe is.”

Trudy: „Later was ik pissig op mezelf omdat ik mijn principes had verkracht.”

Nelleke: „Mijn moeder slikte soneryl om te slapen en temesta en valium om haar gevoelens te dempen. Ze ging ook naar een zenuwarts.” Theatraal: „Dokter Schléúrholtz Bóérma. Ik zal ’m nooit vergeten.” Ze gaat er even goed voor zitten. „Zo’n man hield dan spreekuur en dat duurde natuurlijk allemaal heel erg lang en de patiënten zaten allemaal te klaverjassen in de wachtkamer. Hij gaf mijn moeder die pillen, en hij stofwisselde haar.”

Trudy: „Stofwisselde?”

Nelleke: „Ja, hij stofwisselde haar. Geen flauw idee wat het was. Ze werd ergens op aangesloten of zoiets. Aan een stofzuiger, dacht ik als kind. Dan lag ze daar een paar uur om gestofwisseld te worden.”

Trudy: „Was ze daarna anders?”

Nelleke: „Niet naar mijn idee. Maar ze was wel wég van dokter Schleurholtz Boerma. Ze is heel lang wég van hem geweest.”

Trudy: „Het was natuurlijk héérlijk om gestofwisseld te worden.”

Nelleke: „Ik mocht ook een keertje mee naar dokter Schleurholtz Boerma, want ik had migraine. Toen zei dokter Schleurholtz Boerma: ik ga jou elektriséren. Nou, daar had ik geen zin in. Sodemieter op!”

Hoe kwam ze aan die migraine?

Nelleke: „O, ik was zo ontzettend ongelukkig. Altijd, altijd maar ongelukkig.” Ze lacht er vrolijk bij. „Wat ben ik blij dat ik geen kind meer ben.”

Wat was er dan zo erg?

„Gepest. Uitgestoten.”

Trudy: „Hoe oud was je toen?”

Nelleke: „Zeven, acht, negen, tien, twaalf, veertien. Ik voelde me altijd teveel. Ik kon niet voor mezelf opkomen. Ik was verlegen. Dat ben ik nog steeds, maar ik heb geleerd om het te camoufleren. Als ik kinderen van 16, 17 zie, denk ik ook: oh, wat ben ik blij dat dát voorbij is.”

Trudy: „Precies wat ik net zei. Onze huidige leeftijd is de beste.”

We zeggen tegen Nelleke dat ze nu misschien wel kanjertraining zou krijgen.

„Kánjertraining?” Ze schatert. „Mijn moeder gaf me kanjertraining. Die stapte altijd op iedereen af om voor mij…” Ze onderbreekt zichzelf. „Een paar jaar geleden, na een lezing, komen er van de achterste rij twee oudere dames op me af. Ken je ons nog, Nelleke? Eh… sorry… Toen ze hun namen noemden wist ik het meteen weer. Jij had zo’n kattige moeder. Ja, dat weet ik. Maar hoezo? Die kwam bij ons aanbellen en dan zei ze dat wij met jou moesten spelen.

Trudy: „Pittig mens, die moeder van jou. Dat kwam natuurlijk door die zenuwarts die haar doorspoelde.”

Nelleke: „Stofwisselde!”

„Stofwisselde.”

Trudy wil dus fictie gaan schrijven, zeggen wij. Wat wil Nelleke later gaan doen?

Nelleke: „Ik heb geen baas, alleen een publiek en als dat mij niet meer wil lezen, ben ik klaar. Dan kan ik nog wel schrijven, maar dan doe ik het voor mezelf.”

Trudy: „Zou je dat doen?”

Nelleke: „Nee.

Trudy: „Je moet dus gelezen worden.”

Nelleke: „Anders is het zinloos. Gelukkig worden mijn boeken nog altijd goed verkocht.”

Trudy: „Maar het is toch heerlijk om iets zinloos te doen?”

Nelleke: „Dan kies ik liever voor iets anders zinloos. Dan ga ik Grieks studeren, oud-Grieks, en word ik vertaler. Dat is een vak, en ik heb de grootste bewondering voor vakmanschap, Mijn vader was automonteur, die kon iets.”

Trudy: „Weet je wat lekker zinloos is? Gamen. Ik wil leren gamen.”

Nelleke: „Haha, dan word je net zo verslaafd als je moeder aan de valium.”

Trudy: „Nu ben ik verslaafd aan mijn werk. Ik zat in de trein op weg hiernaartoe een artikel te lezen over de rol van de recensent van videogames. Over objectiviteit en subjectiviteit en wat een goede videogame is, heel intelligent.”

Nelleke: „Ik begrijp het, gamen is een ander middel om mensen grip te laten krijgen op de wereld.”

Trudy: „Heel creatief.”

Nelleke: „Vroeger deed de literatuur dat, toen kwam de film erbij. De literatuur is die positie kwijtgeraakt.” Ze gaat er weer even goed voor zitten. „De literatuur is uit de top van de piramide weg. Vroeger – vroegâh – had je een soort starre piramide met een top van geld en adel en intellect. De bedoeling was dat de arbeider werd opgetild. Daar ben ik zelf een product van.”

Trudy knikt.

Nelleke: „Wij mochten doorleren. Mijn moeder keek echt op tegen de onderwijzer en de arts.”

Trudy: „Mijn moeder ging met haar huwelijksproblemen naar de huisarts.”

Nelleke: „In die tijd deed de roman er nog toe.”

Trudy: „Maar hoe groot was nou de boekenkast van onze ouders? En één plank werd in beslag genomen door de Oosthoek-encyclopedie.”

Nelleke: „Maar ze waren er trots op. De roman was een middel om eruditie op te doen, om je te manifesteren. En nu, die elite is geëxplodeerd. Er zijn nu heel veel verschillende elites, allemaal met hun eigen aspiraties. Roem, geld, schoonheid, glamour.”

Trudy: „Iedereen gaat ook naar de universiteit.”

Nelleke: „En de roman doet er niet meer toe.” Ze kijkt bezorgd, maar ook wel een beetje tevreden. „Goed, nou, Trudy”, zegt ze dan. „Dit is dus het begin van een lange vriendschap, waarbij we elkaar hopelijk nog heel vaak zullen spreken.”

„Ja”, zegt Trudy.

Nelleke: „En dan ga jij je fictieboek schrijven en ik wetenschap bedrijven.”

Trudy: „Maar wat ik doe, Nelleke, al dat geredeneer, die boeken van mij, niet eens in het Engels, dat vinden veel mensen geen wetenschap, hoor. Het is niet hypothese, experiment, data, conclusie.”

Nelleke: „Jij zoekt, jij twijfelt, jij formuleert en je geeft zelf tegenargumenten, waar je dan vervolgens weer op doorgaat. Zo horen redeneringen te zijn. Het is retorica van de bovenste plank. Twijfel is de basis van wetenschap. Zeg maar de popperiaanse falcificeerbaarheid.”

Trudy: „Ja, ja, ja, maar daar heb je allemaal niets aan als je wordt afgerekend op geld binnenhalen en aantallen publicaties in Engelstalige wetenschappelijke tijdschriften. Dat is waar ik me tegen verzet: gestandaardiseerde wetenschap. Het leidt tot gestandaardiseerde mensen. Dat is wat ik in jouw werk bewonder, Nelleke. Jouw karakters zijn nooit schematisch.”

Nelleke: „Het is allemaal één mal geworden. We leven in een maatschappij die zogenaamd zeer individualistisch is. Maar ik heb zelden meer conformisme gezien dan in deze tijd.”

Trudy: „Massa-individualisme. De term is niet van mij, hoor. We zijn allemaal non-conformisten. Massa-nonconformisten.”

De volgende ochtend zitten ze, ver voor het ontbijt, naast elkaar op een bankje bij de vijver. Ze lachen vriendelijk naar ons als we bij hen komen zitten, maar we vermoeden dat we ook weg hadden kunnen blijven.

    • David van Dam
    • Carola Houtekamer
    • Jannetje Koelewijn