Welkom in het mortuarium-hotel

Iris Hannema (1985) reisde alleen de wereld over. Haar moeder nam stiekem screenshots tijdens hun Skype-sessies. De komende weken schrijft Iris over die gesprekken en haar reis. Deze aflevering: Japan

De ‘all you can drink’-karaokebars zijn enorm populair en daarom megagroot en overal in Tokio te vinden. Het zijn verdiepingen vol gangen met privékaraokekamers waar je onmiddellijk de weg kwijtraakt. Binnen staat het gevuld met lallende, in een microfoon tetterende zakenmannen in pak. Heel bizar. Ik vertelde hier in een koffiespeciaalzaakje in de wijk Asakusa mijn moeder over mijn eigen karaokeavond. Volgens mij begreep ze niet echt wat ik nu precies wilde uitleggen. Ik vond werkelijk alles cool in Japan en als ik enthousiast ben, ga ik heel hard praten, gooi de vertelvolgorde door elkaar en maak geen zin af. Maar ondanks dat liet mijn moeder me gewoon lekker aankletsen.

Het was een typisch Japans koffietentje, waar je toen nog mocht roken, en ze monsterlijk slootwater schonken. Vandaag had het een overheersende vissmaak, met een vage hint van koffie. „Pardon, is dit koffie?” vroeg ik nog aan de serveerster, maar omdat Japanners zo beleefd zijn, durfde ik niet te vragen of het misschien visthee was, want daar smaakte het naar.

Hai coffee hááiii!

Het was „hai coffee hááiii!”. Hai, haaai, haaaaaaai, allemaal synoniemen voor ‘ja’ en dat ik dat snapte, vond ik al heel knap van mezelf. Ook had ik een paar woorden jenglish geleerd, een mengelmoesje van Japans en Engels. Zo is ‘hoto’ hot, ‘koppu’, afgeleid van cup, is een glas. Als ik een ‘biru’ bestelde, kreeg ik warempel een koppu bier voor mijn neus. En sake is gewoon ‘sake’ en ‘hoto’ het allerlekkerst. Voeg daar een paar keer lukraak ‘hai, haaaaiii’ aan toe en voilà, het begint waarachtig ergens op te lijken. Ik was de vorige avond dus naar zo’n enorme karaoketent geweest, samen met een paar Australische backpackers van het hostel. Ons onbeperkte drinkarrangement hield in dat er continue kannen bier binnen gedragen werden. Water en cola zat niet in de deal of vanwege de taalbarrière kwam de bestelling niet goed door. Na een paar uur was ik er klaar mee en had ik uit de vrij korte lijst met ‘English songs’ ondertussen drie keer ‘I don’t wanna miss a thing’ van Aerosmith gezongen. Ik heb er nog een filmpje van, afschuwelijk vals, maar op het moment zelf vond ik het toch heel aardig klinken.

Doodskist-hotel

Ik kletste maar aan tegen mijn moeder. Hoe ik continu in de verkeerde metro stapte omdat ik de Japanse bordjes niet kon lezen en dat ik ook dát weer fantastisch en diep ondoorgrondelijk vond. Maar het beste en meest vreemde verhaal vond mijn moeder dat van het mortuarium-hotel. Ik logeerde in een budgethotel waar ze zowel het interieur als de denkwijze van een mortuarium gekopieerd hadden: veel mensen in een kleine ruimte opslaan. Niet onverstandig in Tokio, de vierkante meters zijn schreeuwend duur. Op de verdieping waar ik sliep mochten alleen vrouwen logeren. De slaapzaal had van die vierkante deuren waar je een doodskist in en uit zou kunnen schuiven. Buiten dat de gasten springlevend waren, zat achter iedere deur geen kist maar een bed verstopt. Inclusief verse lakens, televisie, pyjama, weggooipantoffels en een kimonobadjas. Het was er trouwens ook benauwd en heet. Bij de receptie kon je schone onderbroeken, tandenborstels en witte overhemden kopen. Ik was geheel in stijl gaan slapen en had de blauwe pyjama met korte broek aangetrokken. De volgende ochtend zag ik dat alle logees dat onflatteuze ding hadden aangetrokken. Ik zag mezelf zitten en lachte keihard.

    • Iris Hannema