‘Stratenmaken? Natúúrlijk is schrijven net stratenmaken’

Jan van Mersbergen: ‘Ik ben wel ambitieus, maar op een rustige manier’ Foto Katrijn van Giel

Acht genummerde mapjes zitten er in de computer van schrijver Jan van Mersbergen, één voor elk van zijn romans. Die brachten hem sinds zijn debuut De grasbijter (2001) stap voor stap (zeven romans in 14 jaar) naar het centrum van de Nederlandse literatuur met ogenschijnlijk eenvoudige, maar buitengewoon ingenieuze romans. Van Mersbergen laadt de kleinste zinnen met de grootste betekenis. Zijn carnavalsroman Naar de overkant van de nacht (2012) leverde hem een Librisnominatie op en de doorbraak naar een groot publiek. Dit voorjaar verscheen de vrucht van mapje nummer 7: De laatste ontsnapping. Daarin staan twee mannen en hun tienjarige zoons centraal. De een is een ontslagen kantoorbediende, de ander een man uit voormalig Joegoslavië die zich in leven houdt met een act in het nachtleven: hij laat zich vastbinden en moet zich vervolgens van een brandende stoel zien te bevrijden.

In ‘De Revisor’ schreef u deze maand dat u bang was voor de eerste persoon die zou zeggen dat ‘De laatste ontsnapping’ minder goed is dan ‘Naar de overkant van de nacht’.

„Het boek heeft geweldige recensies gekregen. Maar één recensent vond het niet zo sprankelend als Naar de overkant van de nacht. Tja. Daar zit je niet op te wachten als je twee jaar aan een roman hebt gewerkt. En één zo’n stuk blijft je meer bij dan tien erg goede recensies. Het is ook een gek idee: alsof je een bepaald boek zomaar kunt reproduceren, als je het al zou wíllen herhalen. Aan de andere kant kan ik me er ook wel iets bij voorstellen: die carnavalssetting gaf Naar de overkant van de nacht een eenheid. Tegelijk was ik blij dat ik ervan af was. Het vader-en-zoonthema in de nieuwe roman gaat verder. Ik hoop dat ik dat invoelbaar heb gemaakt.”

Voelde u extra druk? U had ineens een groter publiek.

„Niet om dat publiek. Naar de overkant van de nacht had iets folkloristisch. Ik wilde óók carnaval op de kaart zetten. Dat heeft heel goed gewerkt, ook in het literaire circuit. Je kreeg hetzelfde effect als toen Franca Treur schreef over het godsdienstwaanzinnige milieu waarin ze opgroeide, of Ernest van der Kwast over zijn Indiase moeder. Dat zijn dingen waar mensen niets vanaf weten.”

U werd de carnavalsambassadeur voor de Amsterdamse grachtengordel.

„Ik werd aan een stuk door opgebeld om uit te leggen wat carnaval eigenlijk betekent. Dat had ik een paar jaar geleden ook na verschijning van Morgen zijn we in Pamplona, die een bokser als hoofdpersoon heeft. Dan was er bij de radio iets met boksen en bij de VPRO hebben ze echt helemaal niemand die daar ooit maar bij in de buurt is geweest. Dus bellen ze mij.”

Wat stond u voor ogen toen u begon aan ‘De laatste ontsnapping’?

„Ik heb in mijn computer mapjes, waarin ik af en toe een zinnetje of een gedachte schrijf als ik met een roman bezig ben. Een van de eerste dingen die ik in document 7 op schreef – De laatste ontsnapping is mijn zevende roman – was iets over vaders en zonen en de afstand daartussen. Er zijn wel vader-zoonboeken van schrijvers van mijn generatie, maar dat zijn altijd romans waarin de vader op sterven ligt en de zoon daardoor gaat nadenken over zijn vader. Ik wilde juist schrijven over het contact met kinderen. De Joegoslavische vader in het boek weet jarenlang niet dat hij een zoon heeft, tot hij plotseling wordt opgebeld. Dat is het soort begin waar ik van houd; er gebeurt meteen iets. Die vader kent die jongen niet, die wordt erdoor overdonderd. Dat wilde ik onderzoeken.”

Wat was de onderzoeksvraag?

„De onderzoeksvraag? Een roman is gelukkig geen scriptie, maar het is wel onderzoek. Ik probeer in kleine dingetjes, in gebaren te laten zien wat er aan de hand is. Ik wilde weten wat eigenlijk de verbondenheid tussen vaders en kinderen is . De zoon van de verteller is daar niet subtiel in. Die zegt gewoon: ‘Wat ben jij een sukkel.’ Hij heeft ook iets weg van mijn eigen zoon. Tien, elf is een mooie leeftijd. Ze beginnen voor zichzelf te denken, maar denken nog totaal niet aan anderen, of dat ze ook iets moeten géven in plaats van nemen – dat levert in die kinderen ook een hoop gedoe op.”

Waar bent u zelf opgegroeid?

„In het rivierengebied, net onder Gorinchem. Mijn vader kwam uit een boerenfamilie in Babyloniënbroek. Hij was technisch tekenaar: kruispunten ontwerpen en dergelijke. Mijn moeder en vrijwel al mijn tantes waren huisvrouw. Zij kwam uit een arbeidersfamilie. Toen ik net in Amsterdam woonde, vertelde ik mensen dat mijn oom schilder was. Waarop ze vroegen waar hij dan exposeerde. Hij was op dat moment de bogen bij het Centraal Station aan het schilderen. Dat is ook schilderen, maar ik kwam hier in een wereld waarin dat bijna niet leek te bestaan.”

Het lijkt me geen milieu waar veel schrijverscarrières ontstaan.

„Mijn Pa had een mooie boekenkast met veel klassiekers en Amerikanen. Ik las Steinbeck, Of Mice and Men, en Faulkner. As I Lay Dying maakte grote indruk op me. Toen wist ik dat ik ook zoiets zou kunnen maken: die mensen vertellen gewoon hun eigen verhaal. Ik las ook wel Nederlandse schrijvers, maar dat leken allemaal Amsterdammers te zijn. Ik las Kaplan, van Leon de Winter. Daarin zijn alle hoofdstukken genoemd naar straten in Amsterdam in hoofdstuktitels. Daar heb ik helemaal niks mee. De Rustenburgerstraat in Amsterdam zegt mijn moeder niets: zij zou het gewoon ‘een lange straat met balkons’ noemen.”

Toch bent u in Amsterdam gaan wonen.

„Op mijn negentiende ben ik hier gaan studeren – een kunst- en beleidopleiding. Ik ging léren, vond men bij mij in de familie. Dat gold daarvoor eigenlijk ook al voor het atheneum. Ik wilde graag in het theater werken en had toch het idee dat het meeste op dat gebied hier in de stad ontstond.”

Het duurde nog tien jaar voor u uw eerste roman schreef.

„Dat lukte pas toen ik in de zomer van 2000 op een boerderij in het rivierengebied paste. Ik had daarvoor geprobeerd over de stad te schrijven, maar dat leverde niets op. Ik kon mijn stem niet vinden. Het is als wanneer ik schrijvers als García Márquez of Dostojevski lees: ik kan het mooi vinden, maar zo kan ik niet schrijven. Zo praat mijn familie niet.

„In mijn tweede roman, De macht over het stuur komt iemand het dorp binnengereden in een nieuwe auto. Daar wordt wat naar gekeken, tot een van de jongens zegt: ‘Wie rijdt er nu in een gele auto?’. Dat vind ik mooi. Er zijn schrijvers die dan een heel betoog houden over kleuren van auto’s en wat die kunnen betekenen. Ik kan dat ook wel uitleggen, maar dat vind ik niet interessant. Ik ben heel trots op dat zinnetje: ‘Wie rijdt er nu in een gele auto?’”

U kiest vaak onderwerpen die zich in de marge van het literaire leven bevinden: joyridende dorpsjongens, carnaval, boksen.

„Dat ik voor Morgen zijn we in Pamplona bij boksen uitkwam was toeval. De hoofdpersoon was aanvankelijk een schrijver, die een lift krijgt naar de stierenrennen in Pamplona. Een roman waarin iemand met een schrijver in de auto zit, dat kan nooit wat worden. Dat is vreselijk, ook in het echt. Je krijgt gesprekken over de vraag of je van de literatuur kunt leven, dat soort vragen. Ik dacht: daar krijg je ze niet mee in Pamplona.

„Toen heb ik The Sun Also Rises van Hemingway erbij gepakt en bedacht dat de hoofdpersoon een bokser moest zijn. Uiteindelijk ging het me vooral om het feest, de stierenrennen waar ze naar op weg zijn. Ik houd van plaatsen waar iedereen met hetzelfde bezig is: een festival, carnaval, of wedstrijden van het Nederlands elftal op het WK. Er zijn ook mensen die daar heel demonstratief niets mee te maken willen hebben, maar ik vind het heel mooi. Ik zou nooit schrijven over de enge kant daarvan, over nationalisme en met vlaggen zwaaien.”

In bijna al uw boeken zijn mannen op de vlucht.

„Daar beginnen ze mee, maar het is niet de hoofdzaak. Ik heb er veel over nagedacht. Een vlucht is een goed begin van een boek, het geeft vaart en spanning, maar het gaat mij veel meer om de verbondenheid waar die mannen naar op zoek zijn. In die carnavalsroman legt de hoofdpersoon tijdens carnaval op haast elke pagina contact met iemand, en dat lukt hem ook. Hetzelfde geldt voor de vaders en zonen in De laatste ontsnapping. De vaders weten het niet precies, maar ze kijken goed. Ze willen een band opbouwen met hun zoons, maar hoe? In die zin zijn ze niet op de vlucht. Ik schrijf meer vanuit het zoeken naar verbondenheid. Dat is in mijn persoonlijk leven ook steeds belangrijker geworden, zoeken naar wat vriendschap is.”

Bent u de chroniqueur van het moderne mannenleven: de man die stoere dingen wil doen, maar ook vader is?

„Dat zou mooi zijn. Ik schrijf over wat ik zelf doe en ken. De verteller in Naar de overkant van de nacht werkt als stratenmaker. Dat heb ik ook gedaan. Ik weet hoe dat werkt. Er zijn schrijvers die heel romantisch over hun vak doen en zeggen: ‘Ik kan niets anders dan schrijven, dus ik ben maar schrijver geworden.’ Dat zijn heel erg slappe verhalen. Alsof ze losers zijn. Schrijven wordt teruggebracht tot een mystiek iets, met een leeg vel zitten na een hele zware nacht en dan komt er opeens iets…”

Wat is schrijven dan? Iets als stratenmaken?

„Ja natuurlijk! Een roman van 200 bladzijden is anderhalf jaar werk. Die zinnetjes lijken eenvoudig, maar het kost moeite om ze simpel te krijgen. Ik wil de lezer moeite besparen, maar dat kost de schrijver tijd. Ik weet waar het heen gaat, maar je moet de stenen nog wel leggen om een mooi straatje te krijgen. Is er een rollaag ? Komt het uit? En soms moet je een steen doormidden hakken om het passend te maken.”

Sinds uw debuut heeft u geleidelijk een plaats veroverd in de literaire wereld. Had u verwacht dat het zo zou gaan?

„Ergens wel – dat is wel gek hoor.”

Hoe kwam dat?

„Ik had eigenlijk meteen het idee dat ik mijn stem had gevonden. Mijn boeken zijn geen ideeënromans, al zitten er natuurlijk wel ideeën in. Ze zijn ondergeschikt aan de personages en het verhaal. Ik ben heel ambitieus, maar op een rustige manier. Ik wil ook de beste zijn, zo goed mogelijk doen wat ik doe. Niet zomaar iets schrijven en hopen dat het wat doet. Ik wil me erin ontwikkelen. Er zijn mensen die me vragen waarom ik niet een bestseller schrijf. Alsof je dat kunt besluiten.

„Ik heb nu een hele prettige positie in de literaire wereld, ik voel me gewaardeerd. Als ik tegen uitgeverij Meulenhoff zeg dat James Carlos Blake een geweldige schrijver is gaan ze zijn werk lezen en nu wordt zijn cowboyroman Schurkenbloed vertaald. Zaterdag sta ik met een groep muzikanten op Lowlands met een optreden over Blake. Het is heel bijzonder om mee te maken hoe die musici technisch te werk gaan, hoe ze het verhaal van een liedje vertellen. Maar daar zal je niet snel iets over lezen. Na afloop zal het alleen gaan over de vraag of we wél of geen cowboyhoeden op hadden. Op dezelfde manier is er altijd meer aandacht voor het auteurschap dan voor het schrijven zelf. Mensen willen weten of je naar het Boekenbal gaat en of je van je werk kunt rondkomen – niet hoe je precies te werk gaat.

Staat er al wat in mapje nummer acht?

„Ik schrijf af en toe iets op. Eigenlijk had ik me voorgenomen om dit jaar niet aan een roman te werken, maar het begint weer te kriebelen. Ik denk dat ik in september weer begin.

    • Arjen Fortuin