Ruimte voor het onuitsprekelijke

De mens is „een robot-vehikel, geprogrammeerd om het blinde voortbestaan te dienen van die zelfzuchtige moleculen die we ‘genen’ noemen”. Dat is, uiteraard, een citaat uit Richard Dawkins’ beroemde boek De zelfzuchtige genen, dat onlangs in De Groene Amsterdammer besproken werd als een van de spraakmakende boeken van de afgelopen decennia. Het is een uitspraak die lijkt op die van Dick Swaab: „Wij zijn ons brein”. Zo’n uitspraak die erop gericht is de lezers te laten weten dat zij zich helemaal niet zoveel hoeven te verbeelden. De mens is echt geen godgelijk middelpunt van de wereld, hij is ‘alleen maar’ een robot-vehikel, een brein. Het is dezelfde onzin als beweren dat water ‘alleen maar’ H2O is.

Er bestaat helemaal niet zoiets als ‘alleen maar’. Dat genen zijn ingericht op voortbestaan willen we aannemen, en dat ons brein op allerlei manieren bepaalt wie we zijn ook. Maar dat betekent niet dat dat alles is wat er over een mens te zeggen is. Deze twee uitspraken, van twee wetenschappelijk onderzoekers die in hun taalgebruik de overtuiging uit lijken te dragen dat ze tot de kern van de zaak zijn doorgedrongen, zijn al niet eens met elkaar verenigbaar. Zijn wij nu een brein of een genenvehikel?

Het is en blijft jammer dat sommige wetenschappers al die interessante dingen die ze over de werking van onze hersenen (dan wel onze genen) te weten komen, meteen in een theorie-van-alles, dan wel een reductie van alles, willen omzetten. Abstraheringen die binnen de wetenschap nuttig en nodig zijn, zijn daarbuiten armoedig. De eindeloze nuances in gevoelens en beleving die iedereen dagelijks ervaart, de gevolgen die gebeurtenissen voor ons hebben, verliezen hun betekenis als je die allemaal samenvat met ‘brein’ of ‘zelfzuchtige genen’.

Onlangs verscheen Waarom we voelen wat we voelen, van hersenwetenschapper Giovanni Frazzetto. Zijn boek heeft een heel verfrissende ondertitel: Wat de hersenwetenschap ons wel en niet kan vertellen over onze emoties.

Er staan mooie dingen in over de werking van het brein en over experimenten die laten zien welke hersengebieden actief zijn bij welk emoties en wat die voor invloed hebben. Maar na een passage over angst bij ratten en mensen en over de emotionele signalen die angstreacties activeren, staat er wel dat „het afschuwelijke gevoel hulpeloos te zijn, het gevoel dat je toekomst onzeker en onvoorspelbaar is” een gevoel is dat moeilijk moleculair te bevatten is, laat staan dat het nagebootst kan worden in een experiment met ratten. De ervaring van angst en onzekerheid is iets totaal anders dan een wetenschappelijk experiment met ‘universele, meetbare en reproduceerbare feiten’ schrijft Frazzetto.

Dat is precies het punt. Ervaringen zijn heel moeilijk te vangen en te beschrijven, en reductionistische oneliners helpen ons niet bepaald verder.

Zoals ik in diezelfde Groene las in een interview met vastestoffenfysicus en Spinozaprijswinnaar Mikhail Katznelson, is het maar de vraag of de wetenschap ons werkelijk kan laten zien wat de wereld is, ook al zou er een alomvattende theorie komen. Beschrijving en ervaring zijn twee verschillende dingen. Hij zegt: „Ik geloof dat de kennis van de dingen om ons heen in essentie onafhankelijk is van iedere toekomstige beschrijving van diepere niveaus van de werkelijkheid.” Frazzetto blijkt poëzie te schrijven, Katznelson doet dat eveneens. In poëzie zit ruimte voor het onuitsprekelijke, een lastig maar belangrijk gebied, waar de wetenschap niet kan komen. Zoals Katznelson zegt: „Als je werkelijk alles wat je weet van een onderwerp (-) in woorden kunt vangen, dan betekent dat simpelweg dat je er niet genoeg van weet.”

    • Marjoleine de Vos