Negentien dagen wachten op een vlinder

Omdat National Geographic 125 jaar bestaat mocht uitgever Taschen het fotoarchief in duiken. Resultaat: drie kolossale boeken, over alle continenten, met meer dan duizend, niet zelden verbijsterende foto’s.

Robert Caputo: Eiland Aba, Soedan, 1982

Het multimediaconcern National Geographic heeft een feestje te vieren. Drie kolossale, nieuwe fotoboeken die alle continenten bestrijken, herinneren aan de oprichting, 125 jaar geleden in de Cosmos Club in Washington. Zes voorname mannen, met baard en snor, stelden zich daar ten doel meer geografische kennis te verwerven en te verspreiden.

Dat is goed gelukt. Het spectaculair geïllustreerde tijdschrift verschijnt nu in veertig talen op papier en online. Talloze documentaires verder beschikt de organisatie over een eigen filmkanaal en gezien de apps is het aardig bij de tijd gebleven. De voorgenomen geografische verkenningen uit de Cosmos Club waren aanvankelijk bedoeld voor Amerikanen die dachten dat de wereld ophield bij hun landsgrenzen. Tegenwoordig blinkt het tijdschrift nog steeds uit in grenzeloosheid, maar dan wat betreft de thema’s die het aansnijdt.

Dankzij National Geographic weten we hoe expeditieleden en fotografen crepeerden op de Noordpool, met doodsverachting aan kliffen en sequoia’s hingen en op de loop moesten voor woeste beesten. Een enkeling deed het rustiger aan: Robert F. Sisson zat in de jungle van Ecuador negentien dagen lang naast één speciale bloem omdat daar een zeldzame vlinder op pleegt neer te strijken. De vlinder kwam niet.

Panorama’s

En dan krijg je het verzoek om voor deze krantenpagina’s uit die drie loodzware boeken met tezamen meer dan duizend grote foto’s drie opnamen te kiezen en te beschrijven. Alsof je jaren over de wereld zwerft en er na afloop vijf minuten over mag praten. De reeksen panorama’s, stadsgezichten, exotische portretten, politieke gebeurtenissen en oeverloze ontberingen slaan we dan maar over, om stil te staan bij wat de 21ste-eeuwse visueel volstrekt verzadigde mens misschien nog enigszins kan verbijsteren.

Daaronder valt het hierbij afgebeelde, geruïneerde eiland, een zandtapijt met reliëf. Een fotograaf met de toepasselijke naam Robert Caputo keek in 1982 neer op de oude toegangspoort voor islamitische pelgrims die met hun kamelenkaravanen hier ooit samendromden om via de Rode Zee af te reizen naar Mekka, aldus een te compact bijschrift.

Zoek je bij andere bronnen dan blijkt het te gaan om het eiland Aba, in de Witte Nijl, ten zuiden van de Soedanese hoofdstad Khartoem, waar eind 19de eeuw een islamitisch heerschap met volgelingen neerstreek om – hebben ze wel eens iets anders te doen? – christenen en corruptie te bestrijden. Vervolgens maakten in 1970 Egyptische bommenwerpers, min of meer in opdracht van de voormalige Egyptische president Mubarak, toen hoofd luchtmacht, het eiland met de grond gelijk, nadat moslims van de sekte der Ansars, volgelingen van imam el Hadi el Mahdi, in opstand waren gekomen tegen de regering in Khartoem.

Denk nu niet dat uit de fotoarchieven vooral rampspoed is opgedoken. Integendeel, er komen juist veel beelden voorbij van een vreedzame alledaagsheid en een betoverende natuur. Maar ook van onwaarschijnlijke natuurverschijnselen, zoals een grot in Mexico, tot de nok gevuld met selenietkristallen, waartussen mensen als mieren rondscharrelen.

Macho’s

Soms blijft je blik niet haken aan een foto maar aan een bijschrift, zoals bij een opname uit 1912 van Carl E. Akeley. Een groep stropers poseert bovenop een metershoge berg van olifantenslagtanden. Domme macho’s die net als bejaarde koningen hun geweer bij voorkeur richten op traag bewegende, grote, grijze vlakken. Maar wist u dat de Amerikaanse president Theodore Roosevelt al in 1910 had gevraagd om nu eens op te houden met die slachtpartijen, omdat de olifant dreigde uit te sterven? Nee? Ik ook niet.

We reizen weer verder – langs wonderbaarlijk begroeide vulkaanmeren in Oeganda, langs golven van graniet in Australië, boeddhistische kloosters in China (1925), langs rotswoningen in Turkije. En dan ineens duikt er een wonder uit de diepzee op. Opvallend is dat veel vissen, behalve de blinde stakkers in de peilloze Marianentrog, zich vanwege de stijgende belangstelling voor het diepzeeleven de kunst van het poseren hebben eigen gemaakt, zo lijkt het althans bij al die knappe close-ups.

De hierbij afgebeelde schorpioenvis, extatisch als een drag queen, zwom in de buurt van Papoea Nieuw-Guinea. Hij is zo vrolijk uitgedost dat hij onwillekeurig aan de schilder Juan Miro doet denken. Wie weet, misschien is de schilder wel gereïncarneerd, en is hij precies op het moment geportretteerd waarop hij als onderzeese BN’er de paparazzo van National Geographic van zich probeerde af te schudden.

Ziezo, de vis is dus de derde en de laatste keuze uit de boeken. De klus is geklaard, dacht ik bij inlevering van dit artikel. Maar dat is bij nader inzien een vergissing. Want een dag later zag ik dat de selectie veel spannender, spectaculairder en esthetischer had kunnen zijn. Niet getreurd, de kans is groot dat zich volgende week weer drie andere favorieten aandienen. Die wisselvalligheid zegt iets over een stemmingsmens, maar zegt in feite veel meer over de rijkdom van deze jubileumuitgave.

T/m 19/10 is een selectie te zien in Tropenmuseum, Amsterdam. tropenmuseum.nl

    • Marianne Vermeijden