De kinderen speelden ‘Arabier en Jood’ en toen kwam de raket

De kinderen van Gaza hebben al drie oorlogsrondes meegemaakt. Hun huizen zijn gebombardeerd, ze hebben familie en buurtgenoten verloren en hebben de vreselijkste verwondingen gezien. Hoe help je de getraumatiseerde jeugd?

Een Palestijnse vader, niet in dit artikel genoemd, is wanhopig over de dood van zijn zoontje van tien. Foto EPA/OLIVER WEIKEN

Mohammed wilde buiten spelen. Hij verveelde zich. Hij had drie dagen binnen moeten blijven omdat zijn wijk in Gaza-Stad hevig werd bestookt door het Israëlische leger. Maar nu was het rustig. Van zijn vader mocht hij naar de haven. Dat was de veiligste plek, omdat alle buitenlandse journalisten daar verbleven.

Uitgelaten rende Mohammed (11) naar het strand, samen met zeven vriendjes die allen behoren tot de Bakr-clan, een uitgebreide familie van vissers. Ze speelden ‘Arabier en Jood’, een populair spel onder Palestijnse kinderen. De ‘Arabieren’ moeten de ‘Joden’ vangen en in een zelfgemaakte gevangenis stoppen.

Het Arabische team had al een jongen te pakken gekregen, toen de eerste Israëlische raket neerkwam bij een keet die dienst deed als gevangenis. Vier andere jongens renden naar een oude scheepscontainer, in de hoop daar veilig te zijn. Maar ze werden geraakt door een tweede raket. Foto’s op Twitter tonen hoe de inslag een golf van zand veroorzaakt vlakbij de rennende kinderen. Drie van de vier kwamen om, onder wie Mohammed.

„Die ochtend lag hij nog in mijn bed te slapen”, zegt Ramez Bakr (43), de vader van Mohammed. Hij zit in zijn huiskamer, een sigaret in de ene hand en een bidketting in de andere. Af en toe lopen familieleden en buren binnen om hun medeleven te tonen met het verlies van zijn zoon. „Zelfs als ik mijn werk en al mijn boten zou kwijtraken, zou dat nooit het verlies van Mohammed evenaren.”

„Mijn kinderen waren nooit bang tijdens de oorlog”, zegt Ramez. „Maar sinds de dood van Mohammed vliegen ze schreeuwend op als er een explosie is. ’s Nachts kunnen ze niet slapen. De jongste kruipt dicht tegen me aan.”

Van een onbezorgde jeugd is geen sprake in Gaza. Kinderen van zeven jaar oud hebben al drie gevechtsrondes meegemaakt, en de laatste was veel erger dan die van 2008-2009 en 2012. Veel kinderen hebben hevige beschietingen doorstaan, hebben familieleden verloren, of zijn getuige geweest van de meest verschrikkelijke verwondingen. UNICEF schat dat 373.000 kinderen getraumatiseerd zijn en psychologische hulp nodig hebben.

„Ouders moeten in eerste instantie veiligheid bieden, dus het is zeer traumatiserend voor een kind als ze dat niet kunnen”, zegt Jamil Abdel Atti, directeur van het Center for Mind-Body Medicine in Gaza, dat kinderen en volwassenen psychologische hulp biedt. „Een trauma tast dat deel van het centrale zenuwstelsel aan dat adrenaline, ademhaling en hartslag controleert. Kinderen krijgen slaapproblemen, plassen in bed, kunnen zich moeilijk concentreren. De zwaardere gevallen worden agressief of zonderen zich af. We zijn bang dat ze later een posttraumatische stress-stoornis ontwikkelen.”

Op het plein van een VN-school in Gaza-Stad zijn kinderen elkaar voortdurend aan het uitdagen. De meesten komen uit Beit Lahiya, een gebied in het noorden van Gaza dat grotendeels is verwoest tijdens de oorlog. Ze joelen en gillen, rennen op blote voeten achter elkaar aan, pakken snoep van elkaar af. Ineens duwt een meisje met een vuil roze shirt een jongen op de grond. Hij bedenkt zich geen moment en vliegt haar aan.

„Er wordt hier veel gevochten”, zegt Farez Malahi (13), een jongen met een norse blik. „Ik hou er niet van, ik lok het zelf nooit uit. Maar als iemand me duwt of me probeert te provoceren, dan moet ik terug slaan. Anders denken ze dat ik zwak ben en blijven ze me lastig vallen.”

Malahi vluchtte met zijn familie naar de VN-school toen het Israëlische grondoffensief begon. Een aantal familieleden raakte gewond toen zijn wijk werd beschoten. Maliki houdt zich groot. „Ik huil nooit, ik ben een man. Als ik groot ben, wil ik Hamasstrijder worden om mijn familie en mijn land te beschermen. De neef van mijn moeder is Hamasstrijder. Als ik pamfletten vind die het Israëlische leger heeft verspreid, dan breng ik ze naar hem toe.”

In een schaduwrijk hoekje van het schoolplein zit Bashar el-Egla (10). Hij heeft geen zin om met andere kinderen te spelen sinds zijn vader werd gedood bij een bombardement. „Ik ben naar het ziekenhuis gegaan om zijn lichaam te zien”, zegt El-Egla, „maar ik kon het niet. Zijn lichaam was volledig aan stukken geblazen. Ik heb mijn hoofd tegen de muur geslagen van verdriet.”

El-Egla vertoont de eerste tekenen van posttraumatische stress-stoornis. Hij zondert zich af. „Mijn lichaam voelt slap aan en in mijn hart brandt een vuur”, zegt hij. Tijdens het gesprek schieten zijn rode ogen nerveus heen en weer. „Als ik met andere kinderen speel, dan heb ik het gevoel dat mijn vader naar me kijkt. Ik ben liever alleen om met hem te praten.”

El-Egla wordt opgevangen door zijn oma, andere familie heeft hij niet. Na de scheiding is zijn moeder naar het buitenland verhuisd. „Godzijdank ben ik op een veilige plek”, zegt hij. „Maar ik heb problemen met eten en slapen. Ik lag altijd naast mijn vader in bed, nu weet ik niet waar ik moet slapen. Ik droom dat mijn vader me kust en knuffelt.”

In Gaza speelt familie een belangrijke rol bij het rouwproces. Wanneer iemand overlijdt, delen familieleden, vrienden en buren in het verdriet. Ze komen langs, halen herinneringen op en brengen eten mee voor de nabestaanden.

Maar voor psychische klachten van kinderen is in veel families nauwelijks aandacht. Daarvoor hebben ze te veel kinderen en zijn ze te veel bezig met overleven. Neem de familie Bakr. Vader Ramez heeft na de dood van Mohammed nog twaalf kinderen over. De wapenstilstand is van kracht en ze spelen buiten, waar weet hij niet. Af en toe rennen een paar kinderen de woonkamer binnen, maar Bakr slaat weinig acht op hen.

Sinds de Israëlische blokkade van Gaza mag Bakr nog maar zo’n 5,5 kilometer de zee op om te vissen. „Er is geen vis meer te vinden”, klaagt hij. Zijn inkomen is gedaald tot ongeveer 1.000 shekel (omgerekend 215 euro), niet genoeg om eten en kleding voor zijn kinderen te kopen.

Buiten aan de waslijn hangen verwassen, gerafelde T-shirts en broeken met gaten. In het hoekhuis van grijs beton zitten drie families van de clan. Ze eten samen om kosten te sparen. „Dan vertellen we elkaar verhalen over Mohammed.”

„Hoe kunnen ouders hun kinderen verzorgen en op een positieve manier opvoeden als zij zelf nauwelijks functioneren als mens?”, zei Pernille Ironside, het hoofd van UNICEF in Gaza, vorige week op een persconferentie. „Mensen hebben in één klap hun hele familie verloren. Hoe kan een samenleving hiermee omgaan? Dit is een diepe, diepe wond.”

Een groot deel van de bevolking heeft psychische hulp nodig. Maar veel mensen weigeren hulp te zoeken, uit angst voor gek te worden verklaard. Bovendien stelt de geestelijke gezondheidszorg niet zoveel voor in Gaza. Het ministerie van Gezondheid telt slechts zes psychiaters en 22 klinische psychologen. De Verenigde Naties en hulporganisaties proberen zoveel mogelijk bij te springen.

In een klaslokaal van een VN-school in Gaza-Stad zitten twintig kinderen op een ronde doek op de grond. Onder leiding van een hulpverlener doen ze meditatieoefeningen. Ze proberen zich te concentreren op hun ademhaling, ogen stijf dicht geknepen, maar ze kunnen moeilijk stilzitten. Plotseling klinkt er buiten een harde explosie. De kinderen verstijven, hun grote ogen schieten naar het raam.

Na de meditatie krijgen de kinderen papier en krijt. Ze moeten tekenen wat in hen op komt. Veel kinderen tekenen vliegtuigen die bommen gooien op huizen, drones met zoeklichten in de lucht. Een jongen heeft een grote tank getekend. Ernaast ligt een rood mannetje op de grond.

„Ons werk is slechts psychologische eerste hulp”, zegt psycholoog Atti. „Al deze kinderen hebben nog maanden of zelfs jaren therapie nodig. Maar het is bijna onbegonnen werk.”

    • Toon Beemsterboer