‘Slogans zijn de poëzie van de revolutie’

Beeldend kunstenaar Jonas Staal reisde mee met de Nationale Bevrijdingsbeweging van Azawad (MNLA) door hun nieuwe staat ten noorden van Mali. Vanuit dit oorlogsgebied bericht hij over de plek van kunst in Azawads onafhankelijkheidsstrijd.

Watertoren beschilderd in de kleuren van de nieuwe staat Azawad.Drie portretten vanMNLA-soldaten foto’s Jonas Staal

Het is half zeven ’s ochtends wanneer kunstenaar Mazou Ibrahim Touré door de poorten van ons streng bewaakte safehouse komt lopen. Op zijn rug een kalasjnikov, langs zijn zij een holster met pistool, en over zijn schouders zijn materialen: laptop, camera, radio, notitieboek. Een even warme glimlach als scherpe blik valt mij ten deel van de prominentste beeldend kunstenaar van Azawads gewapende revolutie. Zijn vader is Songhai, zijn moeder Toeareg, en daarmee slaat Touré een brug tussen de twee prominente volkeren van de nieuwe, niet-erkende staat Azawad. Hij is de eerste openlijk gewapende kunstenaar die ik ooit heb ontmoet. Touré beschouwt zichzelf als ‘kunstenaar-soldaat’.

Zelf maakte ik kennis met de huidige revolutie in Azawad via schrijver Moussa Ag Assarid, die een succesvolle culturele loopbaan in Frankrijk inwisselde om de Europese woordvoerder van de politieke en militaire Nationale Bevrijdingsbeweging van Azawad (MNLA) te worden. In 2012 nodigde ik hem uit op mijn eerste New World Summit in Berlijn, een parlement voor stateloze groepen die als terroristen werden vervolgd. Ag Assarid nam er namens de MNLA het woord, slechts enkele weken na de onafhankelijkheidsverklaring van Azawad.

Tot die tijd had hij als cultureel ambassadeur van de Toearegs gepleit voor een dialoog tussen zijn volk en de westerse wereld. Hij had geld en middelen ingezameld om zijn eigen school op te richten: L’Ecole du Sable. Als schrijver en docent bewoog hij zich al jaren tussen Azawad en Frankrijk. Maar de structurele achterstelling van zijn volk door de Malinese staat, de afsnijding van de meest basale levensbehoeften als water en elektriciteit, maar ook van educatie of gezondheidszorg, noopten hem tot een militante positie. Door woordvoerder van de MNLA te worden heeft Ag Assarid zijn stem als schrijver verbonden aan een nieuwe staat zonder stem. Hij nodigde mij uit de nieuwe staat te komen bezoeken. Samen met documentairemakers Rob Schröder en Gabriëlle Provaas en producent Younes Bouadi reis ik naar Azawad om kunstenaars in de onafhankelijkheidsbeweging te spreken over de plek van kunst in hun revolutie.

Ag Assarid stelde als einddoel Kidal voor, een van de grootste steden van Azawad die sinds gevechten met het Malinese leger van 17 tot 21 mei dit jaar grotendeels onder controle is van de MNLA. Kidal is bij media berucht sinds er een jaar geleden twee ervaren Franse journalisten door een jihadistische groep werden ontvoerd en meteen buiten de stad werden geëxecuteerd. Onze reis vereist volgens de MNLA dan ook volledige anonimiteit, niemand mag weten dat wij überhaupt in Azawad zijn.

Onze tocht begint op het vliegveld van Niamey in Niger, waar we ’s nachts worden opgepikt en we ons in een donkere wagen onmiddellijk moeten verkleden als Toearegs – inclusief tulband en zonnebril – om zo anoniem langs alle checkpoints geloodst te kunnen worden. Overdag worden we verborgen in een afgelegen hut in de buurt van de grens, waarna we de volgende nacht ongezien de oversteek maken van Niger naar Azawad. In het vroege ochtendlicht verschijnen daar drie wagens van de MNLA, elk met zes gewapende strijders die deel uitmaken van het onbezoldigde leger van de beweging, herkenbaar aan de geel-groen-rood-zwarte vlag die de voertuigen siert. Hun commandant, Ali, is een ervaren strijder uit het voormalige Libische leger.

Het heeft iets absurds, om vermomd voort te bewegen in een woestijn waar de hitte overdag tot 50 graden reikt. Dat absurdisme contrasteert met de hevige strijd die de diverse volkeren van Azawad sinds hun kolonisatie en vervolgens de stichting van de staat Mali hebben doorstaan. Het leven is hier een dagelijkse strijd. Militaire repressie, willekeurige arrestaties en vernietiging van de weinige infrastructuur gaan gepaard met een extreem droog klimaat en moeilijk ontginbare grond. Wegen en riolering zijn er niet. Bijna niemand heeft een auto of zelfs maar een zandkleien huis. Het leven vindt plaats in eenvoudige hutten, met geiten, koeien en dromedarissen, en dagelijkse tochten naar putten die tot honderd meter diep geslagen moeten worden. In de schaarse dorpen die in Azawad te vinden zijn, begint nu de vlag van de onafhankelijkheid te verschijnen.

Onderweg zien we een herdersvolk dat de wapens heeft opgepakt, en zijn zinnen heeft gezet op verregaande afscheiding van de Malinese staat. De dood is in het dagelijks leven immer aanwezig; in de huidige situatie is er alleen een wereld te winnen, en niets meer te verliezen.

Kunstenaar-soldaat

Het is in de loodzware hitte van oorlogsstad Kidal dat de metalen poort opent waardoor kunstenaar-soldaat Touré naar binnen komt lopen. De poort geeft hem toegang tot ons metershoge ommuurde safehouse. Daar bevindt zich een verlaten, half afgebouwd huis, ooit bedoeld voor een hooggeplaatste Malinese militair, waar wij ons overdag verborgen houden. Onze ontmoetingen vinden ’s ochtends en ’s avonds plaats. Dag en nacht staan de soldaten van de MNLA op elke hoek van de ommuring op wacht. In deze extreem gemilitariseerde setting voeren Ag Assarid en Touré hun dagelijkse werk uit. Ag Assarid, de schrijver, als ambassadeur van een niet-erkende staat die hij illegaal in en uit moet reizen via smokkelroutes die ook mij tot Kidal hebben gebracht. En Touré als kunstenaar, die in zijn hand evengoed een kwast als een wapen draagt.

Wanneer we spreken over kunst in de context van Azawad, dan hebben we het niet over musea of tentoonstellingsruimten: die bestaan hier niet. Het vinden van verf, dragers of drukmaterialen is al een strijd op zich. De beelden van Touré nemen rechtstreeks positie in de dagelijkse strijd van het Azawadiaanse volk. Maar ook dat was een gevecht, vertelt hij: „Als kunstenaar werd ik in eerste instantie niet gezien als deel van onze politieke strijd.” Pas nadat hij rechtstreeks in demonstraties begon te interveniëren met zijn muurschilderingen en banners en slogans, werd hij serieus genomen. „Slogans zijn de poëzie van de revolutie. In mijn visie is een demonstratie een moment van festiviteit.”

Zijn bekendste slogan Matarhan Matarhan / Azawad A Narha (‘Wat willen wij? Wat willen wij? Het is Azawad wat wij willen!’) is te vinden op vele muren in Kidal. Die schilderingen – naast slogans ook vogels, handen en vuisten in de kleuren van de nieuwe vlag – maakt Touré veelal ’s nachts, in een stad bezaaid met mijnen. Touré is ook degene die oude beelden op rotondes van de Fransen en Malinezen in de kleuren van de Azawadiaanse vlag schildert, en zo tot de eerste monumenten van de onafhankelijkheid verklaart. Overal in Azawad vind je schilderingen, maar die van Touré zijn herkenbaar door hun schilderkunstige precisie, en omdat hij ze signeert. De vlag is in Azawad een canvas dat collectief wordt toegeëigend, in kleding – op T-shirts, geweven polsbandjes en sluiers voor mannen – maar ook als versiering van huizen of zelfs van watertorens van herders en boeren. En natuurlijk over de oude logo’s op wagens en andere militaire uitrusting die is gewonnen op het Malinese leger: de nieuwe staat Azawad approprieert de koloniale infrastructuur tot een nieuwe politieke entiteit.

„Onze geschiedenis is nu”, stelt Ag Assarid, en om die reden wil hij die niet meer beschrijven maar vertegenwoordigen. „Onze geschiedenis wordt gecreëerd van een dag op de andere, en elke persoon, elke soldaat, is een acteur in ons gezamenlijke Azawad.” Touré vult hem aan: „Wij moeten niet wachten tot anderen ons erkennen, wij moeten zelf overtuigd zijn en begrijpen dat wij al iets vertegenwoordigen: de staat Azawad waar wij voor strijden, bestaat in ons dagelijkse leven en de representatie ervan in beelden.”

Ag Assarid en Touré herdefiniëren de staat niet alleen als structuur van representatie maar ook als conditie: als ‘staat van zijn’. Azawad, een staat in wording, is een cultureel project dat allereerst in de taal, verhalen en symbolen van een volk gelegen is. Zij bestaat niet omdat zij erkend wordt, maar omdat zij existeert. Ik vecht dus ik ben. De kunstenaar-soldaat gelooft dat dit gevecht kan slagen indien een collectieve horizon wordt geschapen, een representatie – een verbeelding – van een toekomst die reeds in de strijd van het heden besloten ligt. Dit is niet de staat van kolonisatie en onderdrukking, het is de staat als collectieve schepping van verzet.

Diezelfde avond zit ik naast een groepje soldaten. Uit een van hun Nokia-telefoons klinkt elke avond blikkerig de muziek van Tinariwen (Woestijnen), een wereldberoemde band van militante Toearegs die in het Tamasheq zingen. Dat klinkt als volgt:

De waarheid zelf is altijd hard

Onoverwinnelijk

Hij die haar hoort kan

veranderen in een rebel.

In het hart van Azawad maakt de kunst een soldaat, en de soldaat kunst.

    • Jonas Staal