Opvang voor overtollige beelden

Er wordt nauwelijks nog nieuwe kunst gemaakt voor de openbare ruimte. Het Rijk en bedrijven stoten hun buitenbeelden af. „Iedereen is blij als ik kunstwerken ophaal.”

Installatie Weg rennende kleren (2008) van Paul de Reus in de tuin van Kasteel Keukenhof. Het werk, in bruikleen gegeven door Atelier Rijksbouwmeester, stond voorheen bij de Oostvaarderskliniek. Foto’s Walter Herfst

Het is een mannetje met een grote witte onderbroek over zijn hoofd, een overhemd om zijn benen en een broek en schoenen aan zijn armen. Zo zit het wijdbeens om een boom heen, voorheen een boompje bij de Oostvaarderskliniek in Almere. Als outcast past deze sculptuur prima in het oeuvre van beeldhouwer Paul de Reus, dat een leger van zonderlingen is. Maar de nieuwe directie van de gefuseerde tbs-kliniek had nadien twijfels over de geschiktheid ervan op het terrein. Sinds kort is het door bemiddeling van Atelier Rijksbouwmeester te bewonderen in een compleet andere omgeving: in de tuinen van Kasteel Keukenhof bij Lisse, waar het mannetje de bomen voor het uitzoeken heeft.

Eind goed, al goed. En gelukkig maar, want dit beeld uit 2008 heeft een ton gekost, via de zogeheten percentageregeling van het Rijk. Dat reserveert van oudsher bij bouwprocessen 1 tot 2 procent van de bouwsom voor kunst, maar die regeling wordt steeds minder toegepast. „Want het Rijk krimpt en er wordt minder gebouwd”, vertelt Annemarieke Leendertz, collectiemanager beeldende kunst bij Atelier Rijksbouwmeester, dat sinds 1951 grote delen van de percentageregeling uitvoert. „Veel panden worden afgestoten. Gevangenissen, kantoren – duizenden panden. In bijna al die gebouwen zit kunst van de percentageregeling. Met nieuwe kunstopdrachten zijn we steeds minder bezig, des te meer met het herbestemmen van oude kunst. Dat zijn ingewikkelde processen, waarbij je tactisch moet optreden.”

Herbestemmen is namelijk niet eenvoudig bij kunst die voor een specifieke locatie is gemaakt. Die behoeft een plek waar het functioneert, al hoeft dat niet eenzelfde soort omgeving te zijn. Veel kunst gedijt in groen, zelfs als het uit een stedelijke omgeving komt. Toen Gijs Stork, tentoonstellingsmaker bij Kasteel Keukenhof, een beeldentuin wilde opbouwen, kreeg hij al gauw tientallen bruiklenen: „Ik ben gewoon gaan bellen en iedereen reageerde positief. Atelier Rijksbouwmeester en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) kwamen kijken en zagen dat we zorgvuldig met het erfgoed omgaan. Dit is een oud landgoed met landschapstuinen en bos, het heeft een museale kwaliteit. Bovendien ben ik niet kieskeurig. Kunst met een geschiedenis is ooit om een bepaalde reden gemaakt en zorgvuldig gekozen. Daar hoef ik met mijn smaak niet tussen te zitten. In Lisse wordt een zwembad afgebroken met een wandkunstwerk, geen bekende kunstenaar. Dat kan prima bij ons aan een vennetje.”

Blikvanger

We wandelen over het terrein – 230 hectare bos, boerderijen, weiland, park – waar je her en der beelden ontdekt. Het Cobramuseum huurt een deel van het terrein voor beelden van Shinkichi Tajiri en Karel Appel. Van een bedrijf komt een stenen beeldengroep van Leo de Vries, blikvanger van Art Zuid in Amsterdam vorig jaar. De RCE heeft zo’n zeven beelden uitgeleend waaronder een van Pearl Perlmuter, ondanks haar kunsthistorische bekendheid altijd eenzaam in depot.

„Depots zijn zo overvol, iedereen is blij als ik kunstwerken ophaal”, zegt Stork. Sculpturen uit de jaren zestig plaatst hij tussen hedendaagse beelden, vaak aangeboden door kunstenaars met weinig opslagmogelijkheden. „Over hedendaagse kunst kun je beter vertellen met oudere werken erbij.”

Ook heeft hij een sculptuur van Ben Oldenhof: „De kunstenaar fietste langs de Gabriël Metsustraat in Amsterdam en zag zijn beeld niet meer. Lag het al bij een oudijzerboer. Maar nog in perfecte staat. Hier krijgt het een tweede leven.” Net als het onderbroekmannetje van De Reus. Dat zit in een door bomen omsloten weide waar deze zomer de buitenissige kampeerwagens van Atelier Van Lieshout staan. Hij lijkt er een geschikte kampeerder voor.

Storks open houding – „alles is welkom” – was een van de redenen voor Atelier Rijksbouwmeester om in zee te gaan met Kasteel Keukenhof. Voordeel is dat de Keukenhof beschikt over een transportbedrijf, met opleggers, en sterke mannen om even een sokkel te bouwen. Vaak zit daar het probleem: genoeg kunstenaars kunnen geen gehoor geven aan telefoontjes van gemeenten om even een metershoog beeld op te halen. Dan resteert sloop.

Een ander voordeel van de Keukenhof voor Atelier Rijksbouwmeester is dat een aantal beelden er bijeenblijft. Leendertz: „We hebben een collectie op basis van zo’n 3.500 kunstopdrachten, soms gegeven aan één kunstenaar en soms aan wel vijftig. Die duizenden werken vormen samen een kunstgeschiedenis. Het is de grootste collectie opdrachtkunst ter wereld.”

Om die groep samen te kunnen tonen, heeft Atelier Rijksbouwmeester een tweede tuin in gebruik bij de Belastingdienst in Apeldoorn – ook van het Rijk. Dit is een meer stedelijke omgeving, met blokkige kantoren. „De tuin ligt tussen het kantoorcomplex en een woonwijk”, vertelt Simone Vermaat van de RCE. „Kunst helpt dat overgangspark aantrekkelijk te maken. Hier passen dan weer de meer abstracte beelden uit de jaren zeventig en tachtig.”

Bij alle partijen gaat dat ‘passen’ op gevoel. Duidelijke criteria voor herplaatsing zijn er niet, antwoordt Leendertz desgevraagd. „We zijn pragmatisch. Onze kunst is niet gemaakt voor musea maar voor de openbare of semi-openbare ruimte, dus is het onvermijdelijk dat de tand des tijds er invloed op krijgt. We onderhouden wel maar niet tot in den treure.”

Dat weet ook Stork, die van de RCE juist wel gerestaureerde beelden krijgt – beschadigd werk mag hun depots niet uit. Daarmee eerbiedigt de RCE de museale status van de collectie en de auteursrechten van de kunstenaar. De beelden van Atelier Rijksbouwmeester mogen wel vervallen zijn. Ouderdomsverschijnselen vertellen ook een verhaal.

Ontzamelen

Door leegstand en de terugtredende overheid is ontzamelen de laatste drie jaar een groeiend fenomeen. Ook Jan Teeuwisse, directeur van Museum Beelden aan Zee, krijgt geregeld sculpturen aangeboden. „Door bedrijven die verhuizen, zoals banken, soms door een overheid zoals een omgevingssculptuur van Steef Roothaan uit Breda, daar gemaakt voor de PTT toen dat nog een staatsbedrijf was. Zeer grote buitenbeelden accepteren we soms ook, mits we die kunnen doorplaatsen in de openbare ruimte, omdat ze niet in het museum zelf goed passen. Die gebruiken we in beeldentuinen die we programmeren bij de Fundatie in Heino en de Havixhorst in Drenthe. Soms krijgen we bruiklenen uit de Rijkscollectie van de RCE, waarvoor de staat grote kunstenaars heeft aangekocht na de oorlog. Zo wordt deze kunst nog gezien. Dan staat het niet langzaam dood te gaan op een gemeentewerf. Daar is kunst niet voor gemaakt.”

Minder kunst

Met het verdwijnen van bestaande kunst en zonder veel vervangende kunstopdrachten, zal het straatbeeld minder kunst gaan bevatten. „In Nederland hebben we een hoge standaard van de inrichting van de openbare ruimte en daar hoorde kunst bij”, zei architectuurhistoricus Wijnand Galema onlangs op een bijeenkomst over het verdwijnen van verschillende percentageregelingen. „En die kunst is geen vanzelfsprekendheid meer.”

Dat bevestigt Leendertz: „Bij grote bouwprojecten wordt de percentageregeling uitgevoerd in zogeheten PPS-constructies met marktpartijen: publiek-private samenwerkingen. De eisen aan kunst zijn van tevoren niet altijd helder. In elk geval mag het niet langer de identiteit van de gebruiker van een pand uitstralen, want die kan verhuizen.”

Leendertz vertelt dit op de laatste dag van het bestaan van de Rijksgebouwendienst waar Atelier Rijksbouwmeester onder valt. Samen gaan ze op in het Rijksvastgoedbedrijf, een fusie van vier vastgoeddiensten. Het is het einde van een tijdperk, en het begin van een nieuw. Ook voor de kunst. Op plekken als landgoed Keukenhof en in Apeldoorn levert oude percentagekunst geen stedelijk commentaar meer maar krijgt een recreatieve functie.

Ook individueel krijgt elk beeld een andere betekenis. Een tempeltje van Pjotr Müller dat Leendertz deze zomer naar de Keukenhof verhuisde, oogt er spiritueler dan voorheen op de patio van Museum Boerhaave in Leiden – waar het plaats moet maken voor een waterspeeltuin. Leendertz: „Of bijvoorbeeld een sculptuur van Jan Jacobs Mulder van de Rijksluchtvaartdienst, die verwijst naar Daedalus en Icarus, met een hand en vogels. Dat doet het zo mooi in het groen, daar wordt het een ander beeld.”

Zoiets geldt ook voor een veelbenige spinvormige abstractie van Louise Schouwenberg. „Het beeld ziet er niet uit alsof het thuishoort in de jeugdgevangenis waarvoor het gemaakt was, als symbool voor verstrengelde jeugd”, zegt Stork als we erlangs wandelen. Vlakbij treffen we de onderbroekman van Paul de Reus. De psychiatrisch patiënt die het op de oude foto leek, op een betonnen terrein met prikkeldraad, is hier veranderd in een romantische boomknuffelaar – hoewel nog steeds erg zonderling.

    • Sandra Smets