Nederlandse priesters zijn er niet meer

Vorig jaar werd in Roermond de laatste Nederlandse priester gewijd. Vanaf nu zijn er alleen nog buitenlandse jongens in opleiding. „Ze treffen een sterk vergrijsde kerk aan.”

Het ritueel is niet veranderd. Een jongeman ligt uitgestrekt op de vloer van de kathedraal van Roermond, teken van zijn volledige overgave aan de katholieke kerk. Maar de nieuw gewijde priester komt van ver. Net als de trotse familie die de ceremonie bijwoont. Een deel van de geestelijkheid heeft oortjes in om via een vertaler nog iets van de inhoud van de mis mee te krijgen.

De wijdeling heet Alejandero Vergera Herrera. De 34-jarige Chileen gaat voorlopig werken als kapelaan in de parochie Roermond-Oost, waar zijn in 2009 gewijde Colombiaanse leeftijdgenoot Wilson Varela Gaviria pastoor is.

Vorig jaar werd in het bisdom Roermond voor het laatst een Nederlandse priester gewijd. Op de priesteropleiding Rolduc in Kerkrade studeren op dit moment, voor het eerst, alleen maar buitenlanders. Om te precies te zijn: 28. Jan Vries, rector van het instituut: „Dat betekent dat we tot 2021, 2022 ook alleen maar priesters van elders zullen wijden. Langzaam verkleurt de clerus.”

Vijftien studenten zijn net als Herrera en Varela leden van de Neocathechumale Weg, een vooral in Latijns-Amerika sterke beweging binnen de Rooms-Katholieke Kerk die sterk de nadruk legt op evangelisatie. Elk jaar gaan de namen van jongemannen die hebben laten weten elders in de wereld priester te willen worden in een potje. Landen van bestemming worden bij loting toegewezen. Daar volgen ze hun priesteropleiding.

De andere grote groep komt uit het zuiden van India en Sri Lanka, waar het bisdom Roermond al langer projecten financieel steunt. „We hebben er nu acht in huis. Na de zomer komen er nog zes bij”, zegt Vries. „De bisdommen daar hebben een roepingenoverschot. Hun studenten volgen alleen het laatste deel van de opleiding in Nederland. Daarna werken ze hier nog minstens tien jaar, voordat ze terugkeren naar eigen land.”

Voor hun komst naar Nederland hebben de mannen al een kleine inburgeringscursus gevolgd. In Nederland krijgen ze Nederlandse les. „Voor een enkeling is de taal een struikelblok. Bij hen concluderen we op een gegeven moment: die haalt het gewenste niveau gewoon niet. De communicatie die van een toekomstig priester wordt gevraagd, vergt echt een grote taalvaardigheid.” Om die reden en omdat ze „nog in ontwikkeling zijn” wil Vries niet dat zijn studenten met de pers spreken.

Gedurende de opleiding op Rolduc, een abdij met tien eeuwen geschiedenis, inmiddels grotendeels in gebruik als hotel en conferentieoord, draaien de jonge mannen ook mee in parochies. „Daar en tijdens de opleiding wordt hun Nederlands nog beter. Ze maken ook kennis met de Limburgse dialecten. Dat merk je, omdat ze het leuk vinden om bepaalde woorden te reproduceren.”

Killer klimaat

De buitenlandse priesterstudenten moeten wennen aan een andere samenleving en aan een killer klimaat. „Daar bovenop komt de cultuurshock van het religieuze leven dat ze hier aantreffen. Ze komen uit heel vitale bisdommen met veel jonge mensen. Hier treffen ze een sterk vergrijsde kerk aan. Dat is ze daar al wel verteld, maar het hier ervaren is toch echt wat anders.”

Vries noemt hun komst naar Nederland „een groot offer” hoewel het contact met thuis dankzij internet wel makkelijker is geworden. „Mensen kunnen elkaar dagelijks zien. Vroeger zagen Nederlandse priesterstudenten op Rolduc hun familie maar twee, drie keer per jaar, tijdens vakanties.

Vries, gespecialiseerd in het kerkelijk recht, werd in 1994 rector op Rolduc. Daar zaten toen alleen Nederlandse studenten en een enkele keer een Duitser, niet uitzonderlijk voor een instituut dat op de grens ligt.

Twintig jaar later zijn nog slechts Nederlanders te vinden onder het personeel. „Die terugloop heeft te maken met de ontkerkelijking. De misbruikaffaires hebben zeker ook impact gehad. Jonge mannen bedenken zich nu wel drie keer voordat ze een keuze maken voor het priesterambt. Op termijn verwacht ik enig herstel van die beschadiging. Dan telt weer vooral het opgroeien in een katholieke context. Roepingen komen vooral voor bij mannen die zijn opgegroeid in een kerkelijk gezin en in levendige parochies die jongeren van meet af aan een plek geven.”

Dat zijn er niet meer zoveel, moet Vries erkennen. Met enkele kandidaat-priesterstudenten van eigen bodem voert de rector gesprekken. Mogelijk levert dat volgend studiejaar al Nederlandse aanwas op. „Het moeten bezonken keuzes zijn. Aankomende studenten moeten zich realiseren welke weg ze opgaan, inclusief het celibaat. Ze moeten al blijk hebben gegeven van echte betrokkenheid bij de kerk. Sommige kandidaten verdwijnen na verloop van tijd achter de horizon. Anderen zetten pas na gesprekken gedurende meerdere jaren de stap naar hier. Ik zal hier nooit iemand binnentrekken. Het moet uit henzelf komen.”

    • Paul van der Steen