Ja, Amsterdam is vies en vol – de auto moet weg

Het dempen van grachten hielp eerder tegen verstopping. Verbied nu parkeren in de binnenstad, stelt Fred Feddes voor.

‘In hun bestaan op aarde houden mensen zich met talloze zaken bezig die, goed bekeken, tot twee grote categorieën terug te brengen zijn: die van het rommel maken en die van het rommel opruimen, of anders gezegd: die van het wanorde stichten en de eeuwige pogingen om uit de chaos orde te scheppen.” Deze uitspraak van schrijver Charles B. Timmer is ook toepasbaar op de straten van de stad. Wim Pijbes, directeur van het Rijksmuseum, hield onlangs een pleidooi om flink rommel op te ruimen in en om de Amsterdamse binnenstad (NRC, 1 augustus). Hij plaatste zijn argumenten in een internationaal perspectief: Amsterdam wordt steeds populairder bij buitenlandse bezoekers, en dat moeten we niet verprutsen door onze gasten in een smeerboel te laten rondlopen.

Critici van Pijbes betoogden dat rommeligheid onlosmakelijk deel is van de authenticiteit en de charme van de stad. „De toerist verwacht niet alleen gladgestreken en glimmende straten, maar ook een liberaal milieu waar rafelranden bij horen’’, aldus stadssocioloog Marguerite van den Berg (NRC, 4 augustus). In sommige reacties leek Amsterdam gepikeerd tegen de Groningse Rotterdammer Pijbes te willen zeggen: „Blijf met je rotpoten van onze rotrotzooi af.”

Timmer helpt om deze kwestie te begrijpen. Rommeligheid en opruimerigheid zijn geen absolute waarden. Een stad heeft beide nodig om prettig, begaanbaar, inspirerend en onvergetelijk te zijn. Hun evenwicht is een voortdurende worsteling. Over de juiste mengverhouding kun je twisten, maar niemand wil in ernst een volkomen steriele stad, en niemand wil een volkomen verloederde stad. Het evenwicht tussen rommel maken en rommel opruimen is dynamisch, en kan gemakkelijk verstoord raken. Als een van tweeën aan kracht wint, zal er met de ander ook iets gebeuren. Op zoek naar een nieuw evenwicht.

Het aantal toeristen groeit, inclusief vrijgezellenparty’s. Ook Amsterdammers zelf maken de stad drukker. Het leven speelt zich meer buiten af, op straat, op terrassen, in parken. Scooters maken het verkeer onrustiger. Ook liefhebbers van rafelranden kunnen hun bedenkingen hebben als de rafels vanaf de rand oprukken. Het ligt voor de hand om deze verrommeling te corrigeren door de opruimende krachten te versterken. En dan hoeft de stad heus niet meteen te vrezen voor ‘verdisneyworldisering’.

Hoe herstellen we de balans? Pijbes redeneert vanuit de toerismesector. Dat is te beperkt. Beschouw het als ruimtelijke kwestie. De openbare ruimte in de binnenstad (straten, trottoirs, pleinen) beslaat 45 hectare. Daar moeten we het mee doen. Op dit moment wordt deze ruimte door velen ervaren als vuil en vol. De opgave is niet om te woekeren met deze krappe ruimte, maar om de ruimte zo te benutten dat we de beschikbare 45 hectare niet langer als krap beleven, maar juist als weldadig ruim.

Al in de vijftiende eeuw stond Amsterdam voor een vergelijkbaar verstoppingsprobleem. Het Damplein, toen ‘Plaats’, was het middelpunt en slibde dicht. Het stadsbestuur probeerde dit te verhelpen met drie middelen die nog verrassend actueel zijn. Ten eerste door uitbreiding van de openbare ruimte. Er werden stukken water gedempt en meer dan honderd huizen gesloopt. Ten tweede door uitplaatsing van activiteiten. Vanaf 1472 werd het marktaanbod op de Plaats doelbewust verkleind. Varkens, ossen, potten, pannen, melk en appelen moesten elders in de stad op nieuwe markten worden verhandeld. Verwant hieraan is de tegenwoordige ‘uitrol van het centrumgebied’, bedoeld om het centrum te ontlasten door toeristen naar de rest van de stad te lokken, zoals De Pijp en de Indische Buurt. Ten derde door verkeersmaatregelen. Vanaf 1537 gold op de Plaats een parkeerverbod voor vrachtsleden, vanaf 1595 was er eenrichtingsverkeer in omliggende stegen. Ook nu biedt dit soelaas.

Van de 45 hectare openbare ruimte in de binnenstad is een kwart voetgangersdomein. Fietspaden beslaan 11 procent, trambanen 4 procent. De rijdende auto heeft 20 procent tot zijn beschikking. Het grootste part wordt in beslag genomen door geparkeerde auto’s. Zij beslaan 18 hectare oftewel 40 procent, verdeeld over 15.000 parkeerplaatsen. Dat is meer dan de oppervlakte van Artis. Wie serieus wil opruimen, kan niet om deze grootste ruimtevreter heen.

De gemeente vermindert het aantal plaatsen dapper, maar voorzichtig, met maximaal 150 stuks per jaar, oftewel 1 procent. Dat kost al veel moeite en verzet. Een algeheel parkeerverbod is niet realistisch, maar stel dat je het wel zou doen. Parkeerruimte is dode ruimte die plotseling tot leven kan komen. De binnenstad krijgt er 18 hectare bij; een lint van 18 kilometer lang en tien meter breed. Door deze vrij besteedbare ruimte kun je onbekommerd langs de grachten dwalen. De fietscultuur, internationaal een van de sterkste troeven, kan zich verder ontplooien. Auto’s kunnen nog bijna overal komen, ze mogen in- en uitladen, maar mogen niet meer parkeren. Zo werkt het in de binnenstad van Groningen al jaren. Het wordt nog een klus om het Groningse principe voor de veel grotere binnenstad van Amsterdam aan te passen, maar het kan. Pijbes zal, als oud-student uit Groningen, zeker willen adviseren.

Als we ons anders voortbewegen dan per auto, sterft de stad heus niet af. Ze krijgt een ander leven, een leven dat veel steden ons zullen benijden, een stedelijk leven dat de twintigste-eeuwse verstikking achter zich heeft gelaten. Iedere puber weet dat opruimen niet leuk is. Maar de eeuwige golfbeweging van rommel maken en opruimen is tegelijkertijd de golfbeweging van creativiteit. Het is even doorbijten. Maar daarna kunnen we genieten van nieuwe ruimte en nieuwe vrijheid, een opgeruimde ruimte om weer heerlijk mee te rommelen.

    • Fred Feddes