Foto’s die de tijd niet stilzetten

De Colombiaanse kunstenaar Oscar Muñoz maakt foto’s die hij niet fixeert. Ze vergaan waar je bij staat. Zijn tentoonstelling in het Jeu de Paume in Parijs is gewijd aan herinneringen.

Boven: The Game of Probabilities (2007) van de Colombiaanse kunstenaar Oscar Muñoz Foto’s uit catalogus Protographies

Een vriendin vertelde ooit dat ze als ze zich iets wilde herinneren net deed alsof ze er een foto van maakte – dit was in de prehistorie van de mobiele telefoon. Klik zei ze in zichzelf, om in haar hoofd een beeld op te slaan van een Grieks eiland, een zonsondergang, een gezicht. Gezichten onthouden is misschien wel het moeilijkste, juist omdat je ze zo vaak ziet. Als je er geen foto's van maakt, echte of denkbeeldige, kan je geheugen later niet kiezen, niet bevriezen. Je kunt wel iemand herkennen, maar echt voor je geestesoog zien is lastig. Ik heb tenminste een heleboel gezichten waarop ik in mijn geheugen niet scherp kan stellen.

Wie dit vaag vindt klinken, moet naar het Jeu de Paume in Parijs. Daar is een werk te zien dat precies weergeeft wat ik bedoel: Re/trato van de Colombiaanse kunstenaar Oscar Muñoz. Het is een filmpje uit 2004 van 28 minuten waarin Muñoz probeert een zelfportret te schilderen. Muñoz kan goed schilderen, met een paar streken geeft hij geloofwaardig een oor, een neus, een oog, een wenkbrauw weer. Maar helemaal af raakt het nooit, want Muñoz schildert niet met verf maar met water en voor hij zijn kin af heeft, is zijn haar al weer opgedroogd; dit zelfportret wordt door de zon steeds uitgewist.

Muñoz (Popayán, 1951) blijkt in Parijs geobsedeerd door herinneren en vergeten. Zijn hele tentoonstelling in het Jeu de Paume is eraan gewijd. Niet verrassend misschien, als je bedenkt dat bijna iedereen hiermee worstelt, ook in het digitale tijdperk; nog minder verrassend als je bedenkt dat Muñoz uit Colombia komt, land met de meeste politieke ‘verdwijningen’ van Zuid-Amerika. In de catalogus rakelt iemand de letterlijke betekenis van het woord amnestie op; het komt van het Griekse woord amnestia, wat vergeten betekent. De Oude Grieken beboetten soms zelfs iemand die een te vergeten feit toch in herinnering bracht. Nu kennen we het recht om vergeten te worden.

In Fade to White maakt Muñoz zijn werk zelf opeens nogal persoonlijk. Het is weer een korte film waarin we in een witte kamer zijn oude vader zien zitten, in het wit gekleed. Aan de muur achter hem hangt een zwart-witfoto van zijn – naar ik aanneem – al overleden moeder. Een wit gordijn wappert soms in beeld. Af en toe doet de vader zijn ogen dicht. Zou hij dan zo’n denkbeeldige foto nemen? Valt hij in slaap? Of zijn de gesloten ogen een prelude op de dood? Het sluiten van de ogen van een dode lijkt een universeel gebaar, dat in elke cultuur voorkomt. Aan het zien is een einde gekomen. Aan het herinneren ook.

Analoge kiekjes

Muñoz is in Nederland nog niet zo bekend, ook al won hij vorig jaar een prijs van het Prins Claus Fonds en had hij deze zomer op het kantoor van dit fonds in Amsterdam ook een kleine presentatie. Voor de meeste werken op het retrospectief in het Jeu de Paume gebruikt Muñoz analoge fotografie. Soms omdat dit de enige fotografie was die voorhanden was. Muñoz verzamelt de kiekjes die fotografen in de jaren zestig en zeventig op straat namen en die de geportretteerden niet hebben gekocht. Wat een melancholieke verzameling.

Vaak maakt Muñoz zelf foto’s, maar die drukt hij op ongewone dragers af, niet op papier maar op douchegordijnen, suikerklontjes, spiegels en zelfs op water, iets wat onmogelijk lijkt maar Muñoz toch voor elkaar kreeg door op een laagje water houtskoolpoeder aan te brengen. Muñoz fixeert de afbeeldingen vervolgens niet, waardoor de foto’s niet meer doen waar foto’s juist beroemd om zijn: ze leggen niet vast, ze bewaren niet, maar ze vervagen juist. Ze vergaan waar je bijstaat. Protographies, noemt Muñoz zulke beelden, ‘protofoto’s’, die we nu alleen kunnen blijven zien omdat hij hun ontstaan en vergaan digitaal heeft vastgelegd.

Camera obscura

Historisch gezien was het nemen van een foto niet het moeilijkste; dankzij de camera obscura en andere machines was het mogelijk langs mechanische weg een beeld te verkrijgen (reeds de oude Chinezen schrijven daarover). Of denk aan de spiegel, waarover de Romein Apuleius al zei: alle beeldende kunsten leggen het bij het maken van een goede kopie af tegen de „kunstig vervaardigde gladheid en scheppende schittering van de spiegel”. Voor ons is het nu moeilijk voor te stellen, maar spiegels waren kostbaarder dan schilderijen. Zelfs eeuwen later was een goede Venetiaanse spiegel duurder dan een schilderij van Rubens.

Het probleem was deze scheppende schittering te bewaren, vast te leggen. Er werd al lang met allerlei chemische verbindingen geëxperimenteerd om dat mogelijk te maken, bijvoorbeeld door Thomas Wedgwood, voor het Niépce in 1826 lukte om een beeld te fixeren en de tijd te slim af te zijn. Muñoz’ ongefixeerde fotografie gaat dus terug in de tijd, naar het moment waarop dit nog niet mogelijk was, en leert daardoor iets over de hedendaagse fotografische praktijk, waarin juist het tegenovergestelde gebeurt. Er zijn nu, denk ik, meer mobiele telefoons dan spiegels. Zien is bijna synoniem met vastleggen geworden.

De technieken die Muñoz gebruikt zijn niet praktisch meer maar poëtisch, niet meer letterlijk maar figuurlijk. Zo ook in zijn Confronting the image. Voor dit werk in oplage uit 2010 liet Muñoz het eerste portret dat ooit gefotografeerd is, een zelfportret door de Amerikaan Robert Cornelius uit 1839, etsen op een spiegel, waarvan het oppervlak opnieuw niet is gefixeerd. Na verloop van tijd zal de spiegel gaan wolken en niets meer weerkaatsen. Tot die tijd zie je niet alleen jezelf maar ook Cornelius.

Muñoz’ werk bekoort het meest als hij het materiaal waarmee hij werkt ook tot onderwerp weet te maken. De vorm wordt de inhoud. Maar niets is wat het lijkt, ook bij Muñoz niet. Het filmpje van Re/trato wordt bijvoorbeeld versneld afgespeeld; in werkelijkheid duurt het heel wat langer om zo’n portret met water te schilderen en te laten verdwijnen dan de paar minuten die het nu kost. Toch ook bij Muñoz niet alleen ontmaskering maar ook verhulling. Illusies. Alle kunstenaars zijn tenslotte goochelaars. Misschien is kunst vooral ernstig goochelen.

De vriendin die foto’s maakte met haar ogen, probeerde haar herinneringen te sturen. Maar je kunt van tevoren nooit weten wat achteraf belangrijk blijkt te zijn. De achterkant van een krantenknipsel kan jaren later interessanter zijn dan de voorkant. Alles vastleggen biedt geen oplossing, want om dat alles te bekijken heb je een nieuw leven nodig. In dit leven zal er altijd weer een achterkant zijn. Soms haalt een kunstenaar die naar voren. Muñoz maakte een serie korte filmpjes van foto’s, zoals ze op dressoirs en schoorsteenmantels staan, ingelijst en achter glas. Hij filmde wat doorgaans weggedacht wordt: de reflecties in het glas voor de foto. Een televisie in een rivier, een deur voor een oog, een zoon naast zijn overleden moeder. Ook wat gefixeerd is, blijft zo in beweging.

    • Bianca Stigter