EU en NAVO te passief voor IS

De NAVO is defensief, de EU verdeeld. Voor snelle militaire actie is een kleiner verbond nodig, meent Jan Dirk Snel.

illustratie Hajo

Waar blijft Europa? Dat is de vraag die dezer dagen alom te horen is nu de Islamitische Staat (IS) in Syrië en vooral Irak steeds meer gebied verovert en zich aan gruwelijkheden schuldig maakt. De Verenigde Staten, die doen tenminste iets, merken commentatoren op.

Ook al duurde het even, president Obama besloot afgelopen donderdag tot beperkte militaire actie in Irak. Maar waarom horen we niets van de Hoge Vertegenwoordiger van de Europese Unie voor Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid, Catherine Ashton?

Het is natuurlijk de vraag of de EU de aangewezen instantie is om zich op alle gebieden van buitenlands en vooral militair beleid te doen gelden. Centraal in de EU staat de gemeenschappelijke markt en het ligt dan ook voor de hand dat het gemeenschappelijk buitenlands beleid zich daarmee verhoudt. De EU is een belangrijke internationale organisatie met deels supranationale bevoegdheden, maar ze kan alleen geloofwaardig blijven als ze haar beleidsterreinen beperkt en zich niet tot een superstaat ontwikkelt, want dan zou ze alle nadelen van de vroegere multiculturele rijken als Oostenrijk-Hongarije, het Russische en het Osmaanse Rijk herhalen. In het jaar waarin we het begin van de Eerste Wereldoorlog herdenken, zijn we ons daarvan maar al te goed bewust.

Het had anders kunnen lopen. In 1952 ondertekenden zes West-Europese landen (België, Frankrijk, Italië, Luxemburg, Nederland en West- Duitsland) op initiatief van Frankrijk het verdrag voor de Europese Defensiegemeenschap (EDG), dat tot de vorming van een Europees leger had moeten leiden. Door toedoen van nota bene het Franse Parlement werd dat initiatief in 1954 verijdeld. Ook het idee van een begeleidende Europese Politieke Gemeenschap (EPG) met een gemeenschappelijk buitenlands beleid was daarmee van tafel. Wel kwam in hetzelfde jaar nog de West-Europese Unie (WEU) – de zes met het Verenigd Koninkrijk – tot stand, een samenwerkingsverband dat echter nooit heel veel heeft voorgesteld en dat in 2011 dan ook werd opgeheven.

Misschien was de mislukking van 1954 wel gelukkig. Het lijkt niet verstandig de EU een al te uitgebreide taak op buitenlands en militair gebied te geven. Een gezamenlijk beleid op die terreinen kan het best verband blijven houden met de eigenlijke taken en de onomstreden gezamenlijke belangen van de EU. Als die helder zijn, kan een verenigd optreden in EU-verband krachtig zijn.

In andere gevallen is het echter vaak veel efficiënter als individuele lidstaten zelfstandig optreden en daar eventueel andere lidstaten bij betrekken. Het ligt nu eenmaal voor de hand dat niet alle 28 lidstaten dezelfde betrokkenheid bij gebeurtenissen in Mali voelen als Frankrijk.

Het is daarom een gelukkige zaak dat de Europese defensie grotendeels in handen is van een andere organisatie met een andere samenstelling; de NAVO. Tweeëntwintig EU-landen maken daarvan deel uit, zes dus niet: Cyprus, Finland, Ierland, Malta, Oostenrijk en Zweden. Daarnaast zijn er naast de Noord-Amerikaanse deelnemers Canada en de Verenigde Staten ook nog vier Europese staten die wel lid van de NAVO zijn, maar niet van de EU: Albanië, IJsland, Noorwegen en Turkije.

Juist de verschillen in samenstelling van beide organisaties maken een zekere flexibiliteit mogelijk. Het voordeel is dat Europese landen met de VS, Canada en Turkije verbonden zijn en dus een machtiger defensief blok vormen dan in EU-verband mogelijk is, terwijl anderzijds iets als ‘finlandisering’ mogelijk is. Vergelijk het verschil tussen Noorwegen (alleen in de NAVO) en Zweden (alleen in de EU).

In defensief opzicht is de spreiding van bevoegdheden over EU en NAVO dus gelukkig omdat juist door de grote overlapping meer gezamenlijke veiligheid ontstaat. Maar nu humanitaire interventie, al dan niet in het verband van de VN, steeds weer een optie vormt, zou er een Europese legermacht moeten zijn, die niet geheel samenvalt met de NAVO.

De kern van de NAVO ligt immers volgens artikel 5 van het verdrag in de bescherming van het grondgebied van de verdragspartners. De bestaansreden voor de NAVO is defensief, in zekere zin passief. NAVO-betrokkenheid gedurende de laatste decennia aan operaties in Bosnië-Herzegovina, Kosovo, Afghanistan en Irak en elders stond dan ook op enigszins gespannen voet met de kerndoelstelling.

Het zou daarom beter zijn als een aantal Europese landen binnen de NAVO het initiatief zou nemen tot de oprichting van een Europees Militair Verbond, dat meer actief zou kunnen optreden. Niet alle Europese EU- of NAVO-landen zouden er lid van hoeven te worden en de structuur zou flexibel moeten zijn. Uiteraard zou de operationele band met de NAVO nauw moeten blijven, maar politiek zou een dergelijke eigen organisatie met een eigen secretaris-generaal een actievere rol kunnen spelen dan de EU en de NAVO nu kunnen.

Het zou Nederland sieren als het initiatief nam tot een dergelijke derde optie. Europese landen zouden sneller kunnen reageren op gebeurtenissen als nu in Irak, zonder dat daardoor met name de EU overbelast wordt. Uiteraard kan men zich afvragen of het onderscheid met de NAVO niet vooral semantisch zou zijn, maar het voordeel zou toch zijn dat de gehele NAVO weer sterker een echt defensieve gemeenschap wordt en daarmee aan geloofwaardigheid wint. En als Europese landen actie willen ondernemen buiten de Europese Unie om, is er tenminste een organisatorisch verband waarbinnen ze direct om steun kunnen vragen.

De vraag ‘waar blijft Europa?’ zou in dat geval direct een adressant hebben: niet de Hoge Vertegenwoordiger van de EU, niet de secretaris-generaal van de NAVO, maar de secretaris-generaal van het Europees Militair Verbond. Voor overleg zou er een structuur zijn en antwoorden op dringende vragen zouden eerder geformuleerd worden.

    • Jan Dirk Snel