Bezield pionier oude muziek

Frans Brüggen (1934 -2014)

Dirigent, fluitist

Hij was de oprichter en dirigent van het Orkest van de Achttiende Eeuw en hartstochtelijk voorvechter van de authentieke muziekinterpretatie.

Zijn agenda stond nog vol. Muziek was voor de al jaren steeds brozer wordende Frans Brüggen een extreem krachtig levenselixer. Zijn pas verschenen cd-opname met Mozart-symfonieën onderstreept in vitale helderheid dat Brüggens innerlijke kracht ongebroken was. Zijn Orkest van de Achttiende Eeuw bleef ook dapper concerten onder zijn leiding inplannen, ook rondom zijn tachtigste verjaardag in oktober. Maar de laatste tijd werd het steeds meer een „geloven in wonderen” , zoals het orkest bij monde van Brüggens vriend en orkestdirecteur Sieuwert Verster verwoordde. „We accepteren slechts één excuus om af te haken: ziekte of dood”, zei Brüggen zelf vorig jaar.

Na Gustav Leonhardt (1928-2012) overleed gisteren met Brüggen de tweede grote Nederlandse pionier van oude muziek, held van generaties musici en liefhebbers. Van meisjes die in de jaren zestig en zeventig een poster boven hun bed prikten van Brüggen met zijn smetteloze tennistrui, borende blik en glanzende haarlok, de beroemdste blokfluitist ter wereld. Van talloze luisteraars en vakgenoten, die Brüggen bewonderden om de manier waarop hij – eerst als fluitist, later als dirigent – authenticiteit nastreefde zonder dat zijn interpretaties aan levendigheid inboetten. En de laatste tien jaar van iedereen die hem aan het werk zag. Brüggen, laatstelijk dirigerend vanuit een rolstoel, bleef er met zijn lange en beweeglijke vingers en borstelige wenkbrauwen voor zorgen dat „het orkest zoefde als een limousine”, zoals een musicus verwoordde.

Brüggen werd in 1934 in Amsterdam-Zuid geboren als jongste zoon van een textielhandelaar, die negen kinderen kreeg. Het was een muzikaal, katholiek gezin, dat, mits voldoende ooms en tantes langswoeien, alle Brandenburgse concerten van Bach kon spelen. Een paradijselijke jeugd ook, volgens Brüggen zelf, totdat hij als dwars schoolkind tweeënhalf jaar werd weggestuurd naar een jezuïeteninternaat in Zeist. Daar ontdekte hij de blokfluit waarop hij later, in de Tweede Wereldoorlog ondergebracht op het platteland, alle symfonieën van Beethoven doorspeelde. Op zijn veertiende speelde Brüggen al mee in Nederlands enige blokfluitkwartet, samen met zijn leraar van het Amsterdams muzieklyceum, Kees Otten. Zeven jaar later werd hij zelf hoofdvakdocent blokfluit aan het conservatorium Den Haag, later volgden docentschappen aan de universiteiten van Berkeley en Harvard.

Weinigen betekenden zoveel voor de emancipatie van een instrument als Brüggen voor de blokfluit. Met opdrachten aan eigentijdse componisten als Luciano Berio en Louis Andriessen zorgde hij voor expansie van het repertoire. Maar bovenal ontstofte hij de reputatie. Wie de blokfluit associeerde met duffe schoolklasjes, werd door Brüggen alsnog bekeerd. Luister maar naar, bijvoorbeeld, zijn Corelli-sonates met Leonhardt en Anner Bijlsma: Brüggen fluit of hij zingt. Het verklaart mede waarom hij de eerste Nederlandse artiest werd die als klassiek idool werd vermarkt.

In 1981 richtte Brüggen het Orkest van de Achttiende Eeuw op, de ‘gideonsbende’ waarmee hij muziek tot en met Schubert wilde uitvoeren op een eerlijke, authentieke manier. De tweede reden was dat de blokfluit een ontoereikend medium was geworden voor zijn muziekliefde, die groot, gretig en eerder gevoelsmatig dan intellectueel en/of dogmatisch was – hoe groot ook zijn eigen belang voor de historische uitvoeringspraktijk. Dat veel dirigenten zich überhaupt niet informeren over de geschiedenis van de muziek die ze uitvoeren, vond hij kwalijk, gemakzuchtig en nalatig. In 1970, bij een debat tussen de gevestigde muziekwereld en de vernieuwende ‘Notenkrakers’ waarin onder anderen Peter Schat, Louis Andriessen en Reinbert de Leeuw zich hadden verzameld, deed Brüggen zijn legendarische hartekreet en riep dat „bij het Concertgebouworkest elke noot van Mozart en Beethoven van a tot z is gelogen”.

Het Orkest van de Achttiende Eeuw, met strijkers op darmsnaren en natuurblazers, ging dat anders aanpakken. Het orkest begon als democratische vriendenclub en bleef dat – ondanks noodzakelijke verjonging. Brüggens orkest bleef op de idealistische fundamenten van gelijkheid, exclusiviteit en liefde voor de muziek wel dertig jaar lang een harmonieus, excellent ensemble. Het repertoire werd gaandeweg (met aparte instrumentaria) verbreed tot en met de vroege romantiek van Chopin en Schumann, „maar échte Romantiek, daarvoor zijn we ongeschikt”, vond Brüggen zelf. Omgekeerd vond hij, na talrijke eigen ervaringen bij onder andere de Radio Kamerfilharmonie, dat moderne orkesten eigenlijk best Mozart konden spelen – mits op de juiste, stilistisch geïnformeerde manier.

Tot voor kort was het credo van het Orkest van de Achttiende Eeuw dat het met de dood van Brüggen op zou houden te bestaan. Gaandeweg daalde het besef in dat die opstelling in plaats van eerbetoon, ook verdamping zou inhouden van het erfgoed van Brüggen. Het orkest besloot daarom al geruime tijd terug om de komende jaren door te gaan. Met andere dirigenten, maar in de geest van Brüggen.

    • Mischa Spel
    • Merlijn Kerkhof