Archiveren in digitale tijden

Schrijver Arnon Grunberg schonk veel ‘privézaken’, zoals zijn groene bontjas.

‘Mijn archief is een levend archief, omdat ik nog leef en het archief steeds wordt aangevuld”, laat schrijver Arnon Grunberg (1971) uit New York weten. Tussen 1998 en nu deed hij vele schenkingen aan verzamelaar Jos Wuijts, woonachtig in Praag. Op zijn voorstel is het Grunberg-archief overgedragen aan Bijzondere Collecties (BC). Het telt privézaken, waaronder de befaamde groene bontjas en het klappertjespistool waarmee Grunberg in 1998 het Boekenbal opende. Ook telt het menukaarten, entreebewijzen, notitieblokjes, visa. „Onderzoekers met een specifieke vraag krijgen toegang tot het archief”, aldus Grunberg. Dit najaar geeft hij gastcolleges aan de UvA. Voor studenten is zijn archief geopend. Tegelijk komt er een tentoonstelling over de schrijver.

Het verzamelen van een ‘levend archief’ is een van de doelstellingen van BC. Bedenker Garrelt Verhoeven wil hiermee voorkomen dat er „paniek uitbreekt bij de nabestaanden als iemand komt te overlijden en er geen bestemming is voor het archief”. Volgens Verhoeven „geeft een bij leven gevormd archief een completer beeld van de betrokkene, omdat er nog geen selectie heeft plaatsgevonden. Rijp en rauw, alles is aanwezig. Je volgt een kunstenaar nauwgezet. Ook grafisch vormgever Irma Boom werkt samen met de UvA aan haar ‘levend archief’.”

Nadrukkelijk wijst Verhoeven erop dat het collectioneren van archiefmateriaal bij leven er vooral op is gericht om het „scheppingsproces van een schrijver als Grunberg of een vormgever als Boom” te volgen. In tijden van digitaliseren is het verwerven van fysiek archiefmateriaal steeds moeilijker. Verschillende versies van boeken bestaan nauwelijks, omdat auteurs herzieningen meteen invoeren in de computer en oude versies wissen.

Directeur Aad Meinderts van het Letterkundig Museum uit Den Haag is niet echt verheugd over de overdracht van het Grunberg-archief. „In het geval van correspondentie bezitten wij de tegenbrieven”, aldus Meinderts. „Als een deel zich bevindt in Amsterdam en een ander deel in Den Haag, dan krijg je toch weer de versnippering die je juist niet wilt. Het is nu geen geheel meer. Dat is jammer. Het is een principe dat literair materiaal naar het Letterkundig Museum gaat.” Hij erkent dat hij „van zijn stoel viel” toen hij het bericht las over het Grunberg-archief bij BC. Meinderts zou zelf nooit alleen ‘toppers’, als van Grunberg, in het archief opnemen: „Literatuur bestaat uit het gehele veld, dus beroemd en minder beroemd. Pas als je beide bezit, beschik je over het volledige archief.”