Surinaamse atletiek verder zonder Vriesde

Letitia Vriesde stapt op als voorzitter van de Surinaamse atletiekbond. „Ik kreeg overal de schuld van.”

Oud-atleteLetitia Vriesde traint met jonge atletiektalenten. Inmiddels is ze opgestapt als preses van de atletiekbond. Foto Ranu Abhelakh

In een bewogen toespraak tot de ledenvergadering zag Letitia Vriesde vorige week af van haar herverkiezing als voorzitter van de Surinaamse atletiekbond. Ze sprak van „valkuilen, guerrilla-aanvallen en dolken in de rug”. Langer aanblijven zou voor haar neerkomen op nog meer frustraties en daar past ze voor, hoe overtuigd ze ook is van de vele mogelijkheden met het Surinaamse atletiektalent.

Terug naar afgelopen winter. In de namiddag heeft de betonnen kuip rond het voetbalveld in het André Kamperveen Stadion veel weg van een braadpan. Tropenzon of niet, hier wordt drie tot vier keer per week getraind.

Geleidelijk druppelen de atleten binnen. Jonge recreatie- en wedstrijdlopers door elkaar. De laatste groep wacht een verrassing: nieuw schoeisel. Letitia Vriesde (49) spreekt de junioren toe: „Luister, één ding telt: ssu disi a no fu koyri! Deze schoenen zijn niet om mee naar school te gaan of door de stad te wandelen. Je gebruikt ze alleen voor trainingen en wedstrijden. Klari?

Vriesde moet het er wel bij vertellen, want ze weet dondersgoed hoe het er thuis aan toe gaat. Als hun moeder geen geld heeft voor nieuw schoeisel, kunnen de kinderen toch net zo goed op hun loopschoenen over straat? „Daarom geef ik ze nog weleens spikes. Daar kunnen ze verder niet zo veel mee.”

Ze wijst een van de lopers aan. Een sprinter en volgens Vriesde absoluut getalenteerd. Ze zou hem dolgraag onder handen nemen om er een echte wedstrijdatleet van te maken. „Maar gestructureerd aan de slag gaan met zo’n talent is hier vrijwel onmogelijk. Zodra zo’n jongen zestien is, krijgt hij thuis te horen dat-ie voor zichzelf moet zorgen en geld moet verdienen. Ongeacht zijn opleiding. Dan schiet de sport er vaak bij in.”

Winkel in sportartikelen

Na haar twintigjarige wedstrijdcarrière vestigde Vriesde zich in 2007 opnieuw in Suriname. Samen met haar man begon ze een winkel in sportartikelen. Verder richtte ze een stichting op om de Surinaamse jeugd in achterstandswijken aan het sporten te krijgen. Ze kreeg er geld voor van de Nederlandse ambassade en vervolgens konden tientallen jongens en meisjes elke zaterdagochtend op negen locaties in Paramaribo voetballen, slagballen, hardlopen en volleyballen. Het aanbod was meer dan welkom, omdat structurele sportbeoefening voor de meeste Surinaamse kinderen allerminst vanzelf spreekt.

In 2012 werd Vriesde gekozen tot voorzitter van de Surinaamse Atletiek Bond. Dat was haar volgende stap om de nationale atletiek uit het slop te halen. Zoals ze als atlete altijd voor Suriname is uitgekomen, zo wilde ze zich ook voor de atletiektalenten van eigen bodem inzetten.

Ze had volop ideeën: de opzet van sportinternaten voor jonge atleten bijvoorbeeld. „School, eten, rust en trainen. In het weekend naar huis of meedoen aan wedstrijden. Dan krijg je vanzelf sterke concurrentie en betere prestaties.”

Tegelijkertijd koesterde Vriesde plannen voor een nieuw atletiekstadion; de bond had er al een perceel voor. Financiering en organisatie vormden een ander verhaal. „Het is moeilijk om écht iets van de grond te krijgen in Suriname. Het gaat erom dat iedereen ervan doordrongen raakt dat we vooruit moeten. De praktijk is dat instanties vaak op eigen houtje opereren. Dat helpt niet om gezamenlijk één richting te kiezen.”

Natuurlijk is geld een probleem. Het bedrijfsleven staat niet te trappelen om de nationale atletiek te ondersteunen. En de regering heeft moeite genoeg om haar eigen begroting rond te krijgen. Gelukkig kon Vriesde terugvallen op een paar donateurs. Ook probeerde ze tijdens de wereldtoernooien internationale fondsen te werven. Bij de internationale atletiekfederatie IAAF kennen ze haar nog wel.

Zo probeerde ze een beurs los te krijgen voor Ifris Alberg (26), de snelste man van Suriname met een persoonlijk record van 10,29 op de 100 meter. Door een valpartij strandde hij vorig jaar in de kwartfinale tijdens het WK. Een paar jaar kon hij tijdens zijn studie trainen en wedstrijden lopen in de Verenigde Staten. „Daar is altijd competitie en daar wordt zo’n jongen sterker van. Nu zit hij weer in Suriname. Zonder concurrenten en zonder geschikte accommodatie. Ifris wil naar Nederland, maar ik denk dat Brazilië beter zou zijn. Daar zijn echte sprintscholen. De vraag is alleen of dat valt te financieren.”

‘Zo’n meisje’

De Surinaamse atletiekwereld reageerde van begin af aan lauw op haar aanstelling. Vriesdes prestaties als atlete mogen dan ongeëvenaard zijn, ‘zo’n meisje’ was te licht als sportbestuurder, was de teneur. Dat wantrouwen is gedurende haar voorzitterschap naar eigen zeggen alleen maar gegroeid. „Welke persoonlijke belangen er spelen, weet ik niet, maar op een gegeven moment kreeg de voorzitter werkelijk overal de schuld van.”

Ondanks de tegenwerking kwamen er internationale successen. Tijdens de laatste twee Caraïbische jeugdkampioenschappen wist Suriname eindelijk weer medailles te verzamelen. Hink-stap-springer Miguel van Assen pakte goud in twee leeftijdscategorieën en vestigde met 16,33 meter zelfs een Zuid-Amerikaans record.

Al even lyrisch wordt Vriesde als een junior uit Moengo, in Oost-Suriname, ter sprake komt. Hij deed vorig jaar voor het eerst mee aan de tienkamp en werd meteen derde tijdens de Zuid-Amerikaanse jeugdkampioenschappen. „Eerst trainde hij met een in elkaar geflanste polsstok van pvc. Sinds kort heeft hij een eigen wedstrijdstok. Vorig jaar, bij de jeugdspelen, stond hij hoog in het klassement tot hij bij het discuswerpen verkeerd uit de kooi stapte. Wist hij veel. Wat zou er gebeuren als we zo’n jongen écht kunnen begeleiden?”

Voorlopig richt ze zich weer op de atleten van haar eigen stichting. Maar hoe moeizaam het ook gaat, Vriesde blijft optimistisch. Ooit moeten Surinaamse sportbestuurders toch bereid zijn hun persoonlijke belangen ondergeschikt te maken aan de atleten? „Kijk naar Jamaïca, de Bahama’s en Trinidad. Dat zijn landen die sport en vooral atletiek uitademen. Het maakt deel uit van de ziel van het land. Ook in Cuba weten ze niet beter, al generaties lang. Liefde voor de sport, daar gaat het om. Bij ons is wat dat betreft nog een wereld te winnen.”

    • Diederik Samwel