Een vrijplaats blijft noodzakelijk

Ken Loach is een soort Woody Allen met een geweten. Film na film blijft hij trouw aan zijn visie en wereldbeeld. De afgelopen jaren werd weleens gemopperd dat zijn marxistisch geïnspireerde solidariteit met de arbeidersklasse en zijn argwaan tegen de anonieme structuren van kerk, staat en kapitaal ouderwets aandeden. Sinds Marx weer helemaal terug is, zijn ook de films van Ken Loach weer verrassend actueel.

Bovendien gaat het in Jimmy’s Hall over meer dan sociale ongelijkheid. Loach en zijn vaste scenarist Paul Laverty vertellen het waargebeurde verhaal van de Ierse communist James Gralton. Zijn rol in de Ierse onafhankelijkheidsoorlog wordt slechts summier aangestipt (de film is een soort vervolg op Loach’ Gouden Palm-winnaar The Wind that Shakes the Barley). Je merkt dat Jimmy een vehikel is voor de ideeën van Loach en Laverty over gemeenschapszin. Ondanks de vele tijd die je als toeschouwer met hem doorbrengt, kom je er niet goed achter wat zijn sociale bewustzijn en gedrevenheid motiveerde.

Waar het echte hart van de film zit is in het dorpshuis annex danslokaal dat Jimmy tot grote ergernis van de herenboeren en de clerus opent. Het is een plek waar mensen elkaar kunnen ontmoeten, leren zingen of lezen. Een vrijplaats om over de wereld te praten. En natuurlijk een doorn in het oog van het gezag. De mechanismen die er uiteindelijk voor zorgden dat Jimmy met pek en veren het dorp werd uitgejaagd waren in de jaren dertig niet zo anders dan nu. Een plek waar mensen met elkaar van gedachten kunnen wisselen zonder meteen te polariseren is nog net zo noodzakelijk.

En daarin liggen ook in deze Loach weer kracht en ontroering: hij is helemaal niet zo dogmatisch als het vooroordeel wil. Hij zoekt, om het maar even ouderwets te zeggen, veel meer nuance dan zijn tegenstanders toelaten.

    • Dana Linssen