De ‘ware’ conceptuele kunst geëerd in fabriekshal Gent

Werk van Katharina Fritsch in de pas geopende Herbert Foundation in Gent Foto Philippe De Gobert

In een oude stoommachinefabriek, een gebouw van rode baksteen gelegen in een grote binnentuin in Gent, is een jaar geleden de Herbert Foundation gevestigd. Het Belgische echtpaar Anton en Annick Herbert bracht in de afgelopen veertig jaar een indrukwekkende verzameling van hedendaagse kunst bijeen. In de eerste decennia van hun verzamelactiviteiten lag de nadruk op conceptuele kunst, arte povera en minimal art. Vanaf de jaren tachtig kochten de Herberts daarnaast werk aan van een jongere generatie kunstenaars, zoals Franz West, Martin Kippenberger, Katharina Fritsch en Mike Kelley. Delen uit de collectie, die inmiddels internationaal beroemd is, zijn eerder te zien geweest in musea in Eindhoven, Barcelona en Graz. De Herbert Foundation organiseert sinds vorig jaar jaarlijks een collectietentoonstelling, dit keer met kunstenaars als Heimo Zobernig, Jean-Marc Bustamante en Paul McCarthy, te zien op de eerste verdieping van het gebouw.

Behalve aan een kunstverzameling bouwden de Herberts ook aan een archief, een vanzelfsprekende uitkomst van hun voorliefde voor conceptuele kunst. De conceptuele kunstenaars van het eerste uur stond een democratisering van de kunst voor ogen, zij vonden dat kunstwerken in principe binnen het bereik zouden moeten liggen van iedereen. Deze kunstenaars, onder wie Carl Andre, Ed Ruscha en Lawrence Weiner, maakten daarom goedkope edities, allerhande drukwerk en kunstenaarsboeken. Voor een aantal van hen werd dit zelfs de kern van hun kunstpraktijk. Het archief van de Herberts is door de jaren heen gestaag aan belang toegenomen, niet alleen wat betreft de omvang, maar ook wat betreft de financiële waarde. Naast boeken en edities bevat het archief documenten, zoals briefwisselingen, uitnodigingen voor tentoonstellingen, affiches enzovoort.

Ook het archief, dat nu het Herbert Archief heet, willen de Herberts nu ontsluiten voor het publiek. Zij nodigden de Britse tentoonstellingsmaker en kunstcriticus Lynda Morris (1947) uit om een tentoonstelling te maken over de beginperiode van de conceptuele kunst. Hierbij zijn delen van het archief van Morris samengevoegd met het Herbert Archief. Morris was vanaf 1971 assistent in de galerie van Nigel Greenwood, die kunstenaars ondersteunde bij het produceren van werk in oplage. Morris organiseerde een aantal van die tentoonstellingen bij Greenwood, met name The Book as Artwork 1960/72, die zij maakte met de Italiaanse kunstcriticus Germano Celant. Morris werkte ook mee aan de vermaarde tentoonstelling When Attitudes Become Form in 1969.

Genuine Conceptualism in Gent is vooral een persoonlijke tentoonstelling, gedacht vanuit de ervaringen van Morris met de kunstscene in de jaren zestig. Meer dan eens speelt zij zelf een rol in het geëxposeerde werk. Zo toont de installatie Film Script (1972) van de Argentijnse kunstenaar David Lamelas Morris aan het werk in de galerie. De zwart-witbeelden worden tegelijkertijd vertoond op 16mm-film en drie diaprojecties, waarbij een spanning wordt opgeroepen tussen bewegend en statisch beeld.

Een in historisch opzicht interessant deel van de tentoonstelling bestaat uit lijsten van werken in oplage in de jaren zestig, die naast elkaar aan de muur hangen. De vroegste lijst, daterend uit 1971, is van Celant en omvat 75 publicaties. Deze lijst is door Morris in 1972 aangevuld tot 259 kunstenaarsboeken. De derde lijst is van de vermaarde criticus Benjamin Buchloh, uit 1974, met ruim 500 publicaties.

Morris maakt in Gent ook oude tijdschriften uit haar verzameling beschikbaar voor het publiek. Bezoekers kunnen aan een tafel door nummers van Studio International, Flash Art en andere tijdschriften bladeren. Morris wil daarmee recht doen aan de genereuze houding van de door haar geliefde conceptuele kunstenaars uit de jaren zestig, de enige echte, Genuine Conceptualists.

    • Janneke Wesseling