Als het antisemitisme is, moet je het ook zo noemen

Soms gaat het over Israël, maar dat land kan ook de aanleiding zijn om wrevel over Joden en de Holocaust te spuien, schrijft Remco Ensel.

‘De tijd komt dat de Anne Frank sprookjes die jullie rondbazuinen eindelijk werkelijkheid worden […] ‘U zul wel denken dat wij Antisemitisch sijn maar dat is echt niet so.’ Dit schrijven viel bij een Joodse instantie op de mat toen de Eerste Intifada in 1988 in volle gang was. Het woord antisemitisme is niet populair, vooral niet bij degenen die ervan beticht worden. De afleidingsmanoeuvres zijn oud en gevarieerd.‘On being dealt the anti-Semitic card’ was de titel van het gedicht waarmee Tom Paulin in 2001 probeerde de beschuldiging aan zijn adres af te wenden: ‘Some schmuck to make you shut the fuck up.’ Met zo’n dichtregel was dat natuurlijk een kansloze onderneming. Het vermeende zwartepieten met de ‘antisemitismekaart’ door verdedigers van Israël is sowieso al een oude tegenwerping tegen de beschuldiging van antisemitisme. Voor de één moeten we voor ‘Joden’ eigenlijk ‘Israëliërs’ lezen; voor de ander is het niet meer dan ‘baldadigheid’ om „dood aan de Joden” te roepen. Of gaat het toch om een als platitude vermomde maatschappijkritiek? Soms lijkt het erop dat niet antisemitisme het ‘ultieme taboe’ is waarvoor het wordt versleten maar eerder het benoemen ervan.

Volgens de kop boven de bijdrage van Maurits Berger (NRC 5 aug.) gaat het om iets diepers dan antisemitisme. Maar is antisemitisme niet diep genoeg? Opmerkelijk is dat Berger het woord alleen laat vallen als iets wat het kabinet van Netanyahu inbrengt. Dat is dus weer die antisemitismekaart. Maar wat vindt Berger er zelf van?

Het punt is dat al die tegenwerpingen vaak ook correct zijn, maar dat is niet meteen een vaccin tegen antisemitische uitspraken. Antisemitisme is niet een of ander geheim elixer dat sommigen in de kast hebben staan en anderen tevergeefs of onbedoeld kopiëren.

Het gaat om woorden, beelden en symbolen en die zijn per definitie meerduidig. Eenmaal gezegd of opgeschreven, heeft een uitspraak een bestaan verworven en is het onderworpen aan de meerduidigheid van de taal. Betekent het meedragen van een in bloedlappen gewikkeld kindje een protest tegen kindermoord door het Israëlische leger of is het een reproductie van het eeuwenoude bloedsprookje? In beide gevallen gaat het om rode verf en een pop van Intertoys die als symbool worden ingebracht. Waar het dus om gaat is die kluwen van woorden en beelden te ontwarren.

Berger ziet Marokkanen/moslims met hun trauma tegenover autochtone Nederlanders staan met hun eigen trauma van WO II. Dit is te zwart-wit gesteld en kopieert feitelijk de tweedeling die zijn gesprekspartners inbrengen. De manier waarop in Nederland antisemitisme is verweven met het Midden-Oostenconflict is complex doordat in het spreken Israël, Joden en de Holocaust vaak samen optrekken. Soms gaat het over Israël, maar dat land kan ook de aanleiding zijn om bestaande wrevel en onbehagen over Joden en de Holocaust te spuien. En dat gaat verder terug in de tijd.

Zo is ‘Hamas, Hamas alle Joden aan het gas’ gebaseerd op dat wat al direct na 1945 viel te horen: „ze zijn je vergeten te vergassen”. Vervolgens introduceerden voetbalfans in de jaren tachtig het gas in het stadion en in de jaren negentig de bewuste leus. En toen pas konden we na 2000 de leus bij de demonstraties beluisteren. Deze ontwikkeling was deel van de centrale plaats van de Holocaust in de nationale herinnering maar ook met kritiek hierop.

En ja, ook met kritiek op het staatsgeweld van Israël. En zo kon die (niet) antisemitische brief op de mat vallen net zoals die van de familie Hoogeveen uit Appelscha: „Jullie zijn bezig met een Holocaust tegen de Palestijnse mensen – met methodes waarvan de nazi’s nog wat hadden kunnen leren […] Wat een laaghartig en misdadig volk zijn die joden toch! Altijd geweest trouwens en zij zullen het altijd wel blijven.”

Spreken over Israël en de Holocaust vielen hier samen. Joodse slachtoffers waren daders geworden. De Joden moesten maar eens ophouden te zeuren over hun eigen ‘leed’. Zo is de stap naar uitspraken waarin de hoop wordt uitgesproken dat Hitler zijn werk afmaakt niet meer ver zoals het na 2000 veelvuldiger ging klinken.

Let wel: dit zijn taaldaden. Dat wil niet zeggen dat we de onderduikadressen al gereed moeten maken. Wel noopt het ons oog te hebben voor de manieren waarop in het gecombineerde spreken over Israël en de Holocaust slachtofferrivaliteit en -nijd over de aandacht voor andermans leed altijd doorwerkt.

In sommige gevallen mag je dat best wel antisemitisme noemen.

    • Remco Ensel