Zijn we klaar voor de hypermarché?

Gemeenten en winkeliers verzetten zich tegen megasupermarkten op bedrijventerreinen

Carrefour in Nice Lingostiere. De meeste West-Europese landen kennen zulke reusachtige supermarkten voor alle consumenten, Nederland heeft ze alleen voor klanten met speciale pasjes. Foto Reuters

Vijftig soorten cornflakes, een heel schap met jam, en alles wat je maar nodig hebt – van dvd’s tot magnetrons, eten en kleding – in één winkel van 10.000 vierkante meter.

De hypermarkt. Voor sommigen de hel, voor anderen het paradijs. De laatsten genieten met vakantie in Frankrijk van de hypermarchés, de eersten zijn blij dat we ze in Nederland niet hebben. Maar waarom bestaan de Géant, Leclerc, Intermarché en Carrefour in Nederland eigenlijk niet? En, zijn hier écht geen hypermarkten?

Nederland heeft AH XL, Maxis, Sligro en Makro. Maar dat zijn geen hypermarkten. De circa dertig Albert Heijn XL’s, in 2002 geïntroduceerd, zijn relatief klein ten opzichte van de echte hypermarkten. Sligro, Makro en Hanos zijn weliswaar groot, maar niet voor iedereen toegankelijk. Alleen ondernemers met een pasje mogen er inkopen doen, particulieren niet.

Sinds de jaren ’70 zijn er pogingen gedaan de hypermarché naar Nederland te brengen. Bijenkorf, bijvoorbeeld, probeerde het met Maxis. Toenmalig directeur Kersten van de Hermans Groep kocht in 1998 de Maxis-keten. Hij verwachtte dat grootschalige supermarkten Nederland snel zouden veroveren. Maar zijn hypermarkten bestaan niet meer. Overnames, renovaties, nieuw beleid, rode cijfers – een succes werd het nooit. Maxis Muiden heeft de naam nog, maar is een winkelcentrum geworden met allerlei losse winkels.

In 2009 kondigde het Duitse Famila aan Nederland te willen veroveren met hypermarkten. Het heeft er nog geen geopend.

De supermarkt om de hoek

Er spelen twee problemen voor de hypermarkt in Nederland: traditie en regelgeving. Nederland is dichtbevolkt. Daardoor heeft een winkel in een stads- of dorpscentrum al snel klanten om rond te komen: er wonen nu eenmaal genoeg mensen in de buurt die boodschappen nodig hebben. Dat is wel anders in een Frans dorp van duizend inwoners, waar kleine dorpswinkels in de wijde omtrek geen alternatieve klanten kunnen vinden. Die winkels kunnen nauwelijks opboksen tegen grotere concurrenten buiten het centrum.

Nederlanders houden bovendien niet van groot. Shopping malls, Hummers – ze zijn nooit echt aangeslagen. Doe maar normaal, lijkt het adagium; met de fiets naar de Appie om de hoek. In 2012 was de gemiddelde afstand tot een supermarkt in Nederland slechts 900 meter. Een super buiten de stad moet dan ook meer te bieden hebben dan de supermarkt, Blokker en kledingwinkel in de buurt.

Maar er is meer aan de hand. Supermarkten krijgen zelden toestemming zich buiten centra te vestigen. Jarenlang ging de Rijksoverheid hierover. Die weerde ‘weidewinkels’ sinds de jaren ’80 met regels over ruimtelijke ordening. Op bedrijventerreinen werden alleen bouwmarkten, groothandels of meubelzaken toegestaan. Zij mochten geen voedsel verkopen. „Rigide”, vond de grootschalige detailhandel.

Om meer ruimte voor ontwikkeling te bieden, werd de verantwoordelijkheid voor dit beleid in 2004 aan provincies en gemeenten overgelaten. Maar ook zij geven zelden toestemming voor hypermarkten buiten de centra. In gemeentelijke bepalingen staat vaak dat supermarkten op bedrijventerreinen „niet wenselijk” zijn.

Een bedrijventerrein is goedkope grond, er is ruimte om te parkeren en uit te breiden en buiten de stad neemt de supermarkt geen kostbare woonruimte in. Het lijkt een ideale plaats voor hypermarkten. Waarom is er dan zo veel bezwaar?

Supermarktdeskundige Gerard Rutte noemt „bescherming van de detailhandel” als reden. De kleine detailhandel maakt zich namelijk zorgen over hypermarkten.

Lege binnensteden

Detailhandel Nederland, branchevereniging voor winkeliers, schreef in 2009 al dat steeds meer ondernemers zich willen vestigen buiten bestaande winkelcentra en -straten, vanwege de hoge huren en de geringe ruimte. De belangengroep is bang dat klanten de stad uitgaan en de „kleine ambachtelijke” ondernemer, de „winkel-om-de-hoek” en de „gezellige drukte” van winkelstraten verdwijnen. Die angst is niet geheel onterecht. De leegstand in de winkelstraten neemt al jaren toe: 7 procent van de winkelpanden staat inmiddels leeg.

Overheden beschermen de detailhandel dan ook. Miranda Boer van het Centraal Bureau Levensmiddelenhandel zegt dat het Rijk, toen dat er nog over ging, „geen grote perifere supermarkten wilde” om de binnensteden leefbaar te houden.

Veel gemeenten noemen nu nog dezelfde overwegingen. Een onderzoek naar de invloed op de bestaande detailhandel is een verplicht onderdeel van het besluit wel of niet de vestiging van een supermarkt toe te staan. Een Aldi op een bedrijventerrein buiten Zwartsluis werd eind vorig jaar nog verboden. Te ver van het centrum en daar staat al een supermarkt, oordeelden gemeente en Raad van State.

Mogelijk gaat er iets veranderen. De sturing door het Rijk om hypermarkten te weren is sinds 2004 afgenomen. Provincies en gemeenten wordt niet meer expliciet verzocht de economische gevolgen voor bestaande winkels mee te laten tellen bij hun besluit. Bovendien worden supermarkten steeds groter: gemiddeld waren ze in 2013 zo’n 850 vierkante meter.

Vorig jaar opende Jumbo in Breda de grootste supermarkt van Nederland, van 5.000 vierkante meter. En binnenkort telt Nederland (waarschijnlijk) één hypermarkt. Met tegenzin. Er wordt gebouwd aan een Jumbo-hypermarkt in Steenwijk. Daar moest de rechter wel aan te pas komen, want de supermarkten en winkeliers in de binnenstad wilden de vergunning laten intrekken. Dit keer verloren ze.

    • Anouk van Kampen