Waarom geen genocide?

Genocide of niet? Dat is de vraag die minister Timmermans (Buitenlandse Zaken, PvdA) van een deel van de Tweede Kamer dient te beantwoorden over de humanitaire noodsituatie in Irak. Daarbij gaat het om veel meer dan een ogenschijnlijk semantische discussie. De constatering genocide houdt voor de internationale gemeenschap de morele verplichting in om daadwerkelijk op te treden. Voor vrijblijvendheid is dan eigenlijk geen plaats. Had bijvoorbeeld in 1994 de massaslachting in Rwanda op die schaal kunnen plaatsvinden als het woord genocide zou zijn gebruikt?

Het handelen van de terreurbeweging IS, die in Irak en Syrië een islamitische staat wil vestigen, doet in alles denken aan het systematisch vervolgen en uitroeien van christelijke en andere minderheden. Maar dit expliciet kwalificeren als genocide doet Timmermans nadrukkelijk niet, in zijn schriftelijk antwoord op vragen uit de Tweede Kamer. De minister houdt het bij de terughoudende formulering dat „als blijkt dat ernstige misdaden zoals genocide of misdrijven tegen de menselijkheid zijn gepleegd” deze moeten worden „onderzocht” en de daders „vervolgd”.

Die terughoudendheid vereist een nadere verklaring, temeer daar anderen, zoals de Amerikaanse president Obama, de Britse premier Cameron en de Franse minister van Buitenlandse Zaken Fabius in het geval-Irak wel het woord genocide hebben gehanteerd. Daarbij hebben de Amerikanen de daad bij het woord gevoegd. Zij zijn met luchtaanvallen in actie gekomen tegen de strijders van de Islamitische Staat in Noord-Irak. Een ingreep waar Timmermans opnieuw terughoudend op heeft gereageerd: geen uitgesproken steun, wel begrip. De minister noemt het namens het kabinet „een goede zaak” dat de Verenigde Staten hulp hebben geboden en proberen de Iraakse bevolking „inclusief de minderheden” te beschermen.

Een aantal partijen in de Tweede Kamer waaronder coalitiegenoot VVD , vraagt Timmermans nu terecht om opheldering. Waarom die voorzichtige formuleringen? Dat bij de vragen ook (partij)politiek opportunisme een rol speelt, is duidelijk. Zo is de verbetenheid van het CDA om de minister te dwingen het woord genocide te gebruiken opvallend tegen de achtergrond van de ‘historische aanvaring’ die toenmalig CDA-leider De Hoop Scheffer had met minister Pronk (Ontwikkelingssamenwerking, PvdA). Deze had volgens De Hoop Scheffer in 1995 de massamoord in Srebrenica niet mogen aanduiden als genocide.

Het woord genocide is niet zonder reden beladen. Juist daarom vraagt het niet-gebruiken om een heldere uitleg van de minister.