Op Papendal wordt goud geboren

Plotseling heeft Nederland talloze medaillekansen in een sport waarin het nooit tot de uitblinkers hoorde

Sprintster Dafne Schippers (links) , meerkampsterNadine Broersen (rechtsboven) en verspringerIgnisious Gaisah (rechtsonder) zijn drie van de belangrijkste Nederlandse medaillekandidaten in Zürich. Foto’s ANP, EPA

Ook zonder Europese titel kun je aandacht opzuigen. Onder de voorwaarde dat je een spectaculaire atlete bent. En dat is Dafne Schippers, exponent van de nieuwe Nederlandse school.

De blonde alleskunner op de atletiekbaan wordt internationaal herkend als een van de sterren van de EK atletiek, die vandaag in Zürich zijn begonnen. Op de internationale persconferentie in het stadhuis trok zij gisteren alle aandacht naar zich toe. Niet vanwege haar charisma, maar omdat Schippers dit jaar, vooral op de sprint, zo opvallend goed presteert.

Daar zat Schippers achter een tafel tussen de Duitse Verena Sailer, Europees kampioene 100 meter van 2010, en Ivet Lalova uit Bulgarije, Europees kampioene 100 meter van 2012. Maar voor de internationale pers telde voornamelijk Schippers, die vooral moest uitleggen waarom ze in Zürich de meerkamp laat schieten en voor de sprintnummers heeft gekozen.

Schippers, die vorig jaar met een bronzen medaille op de WK in Moskou had bewezen tot ’s werelds beste zevenkampers te behoren, legde nog maar eens uit dat ze gewoon nieuwsgierig is naar haar mogelijkheden op de sprintnummers.

De nummer één op de Europese seizoenslijst op zowel 100 als 200 meter wil prijzen winnen. Schippers is ook nog eens het prominentste lid van de estafetteploeg, die – afgaande op diezelfde ranglijst – onbedreigd naar goud gaat lopen.

Schippers is de aanvoerster van een Nederlandse ploeg met meer medaillekandidaten dan ooit te voren. De blijmoedigste prognose gaat uit van tien medailles voor Nederland. En als het tegenzit, rekenen de kenners altijd nog op zes keer eremetaal.

Behalve Schippers op de 100, 200 en 4x100 meter is de Nederlandse hoop gevestigd op Sifan Hassan (1.500 en 5.000 meter), Nadine Broersen (zevenkamp), Eelco Sintnicolaas (tienkamp), Ignisious Gaisah (verspringen) en de 4x100-meterploegen bij zowel de mannen als vrouwen.

Los van die ‘zekere’ podiumplaatsen zijn er outsiders, zoals Jip Vastenburg (10.000 meter) en de drie hordenloopsters, een ongekende bezetting voor Nederlandse begrippen. Maar op grond van de Europese seizoenslijst zullen Rosina Hodde, Sherona Bakker of Nadine Visser boven zichzelf moeten uitstijgen om het podium te halen.

Vulkaanuitbarsting

Waar is dat optimisme op gestoeld? Is er sprake van een vulkaanuitbarsting aan Nederlands talent of heeft de scholing aan kwaliteit gewonnen?

Voor Wigert Thunnissen, bondscoach sprint, is dat al lang geen vraag meer. Het ‘Papendalmodel’ levert eindelijk resultaat op, is zijn overtuiging. De bundeling van coaches en atleten op het nationale sportcentrum heeft de sport professioneler gemaakt. Dan is succes volgens Thunnissen een logisch gevolg.

De sprintcoach legt uit: „Fulltime werkzame coaches die goed worden gefaciliteerd, kunnen prestaties beïnvloeden. Daarmee worden niet meer Dafne Schippersen geboren, maar de breedte wordt wel versterkt. Voor iedereen ligt de lat hoog. Een sprintster weet dat 11,8 seconden op de 100 meter niet meer toereikend is. Je zult 11,6 moeten lopen om mee te kunnen. Er lopen nu geen tien, maar zestien meiden onder de twaalf seconden. En bij de mannen opeens vier onder de 10,30. Dat is nooit eerder gebeurd.”

Cynici roepen dan dat de sprintnummers mede zijn opgewaardeerd door de komst van snelle Curaçaose atleten. Thunnissen weerspreekt het niet, maar wijst er wel fijntjes op dat die impuls alleen voor de mannen geldt – „bij de vrouwen lopen de Hollandse meiden snel”.

Thunnissen herinnert er nog maar eens aan dat de serieuze aandacht voor de estafette resultaat oplevert. Waar andere landen de estafette er even bij doen, investeert Nederland al tien jaar in de loopteams. Het effect is tweeledig: met een team zijn er medaillekansen en via een groep kunnen je veel atleten op een hoger niveau krijgen. Thunnissen: „Soms schuurt dat met het eigenbelang, maar de realiteit is dat veel sprinters zich via de estafette individueel hebben ontwikkeld.”

Avonduren

Ook Ronald Vetter, bondscoach van de meerkamp, legt een verband tussen het Papendalmodel en de successen. „De tijd is voorbij dat ik vijftig uur per week werkte en in de avonduren trainingen gaf. Destijds deed ik aan recreatiesport, nu werk ik professioneel. Daarom hebben wij al jaren achtereen goede meerkampers. Dat is geen toeval, daar zit een systeem achter. Dat het met disciplines als hink-stap-springen of speerwerpen maar niet wil vlotten, is geen wonder. Een klein land kan niet op alle 22 onderdelen uitblinken. En misschien moeten we helemaal geen wereldkampioen snelwandelen willen voortbrengen. We hebben de kennis en ervaring niet. En voor je die hebt, ben je twintig jaar verder.”

Bart Bennema, de coach van Schippers, komt nog met een andere verklaring. Volgens hem weten Nederlandse trainers tegenwoordig zin en onzin te scheiden. „Vroeger werd trainingsmethoden vooral gekopieerd, tegenwoordige wordt er ook goed nagedacht. En er is concurrentie. Nu heeft Dafne nog het Nederlands record zevenkamp, maar de kans is aanwezig dat het na de EK niet meer zo is. Op die manier verleggen we grenzen en gaan we stapje voor stapje vooruit.”

    • Henk Stouwdam