Nixon deed wat goed was voor Nixon

Geluidsopnames geven 40 jaar na zijn aftreden een nieuw beeld van Richard Nixon. In gesprekken kwam hij puriteins, antisemitisch en paranoïde uit de hoek.

In december 1972, een half jaar na de inbraak bij de Democratische Partij in het Watergate-gebouw, kijkt Richard Nixon tevreden terug. Hij was net herkozen als president, had diplomatieke banden met China aangeknoopt, de oorlog in Vietnam opgevoerd. Tegen zijn stafchef Bob Haldeman zegt hij: „Er moet een boek komen, 1972.”

Haldeman: „Ja.”

Nixon: „Dat zou een fantastisch boek zijn. Iemand had dit moeten bedenken. [...] Het was een verdomd goed jaar. Dat boek zou ik schrijven: 1972. Punt.”

Afgelopen weekend 40 jaar geleden, op 9 augustus 1974, kondigde Nixon zijn aftreden aan. Wat hij achterliet, was een voortgaande oorlog (Vietnam), een politieke affaire die zijn weerga niet kende (Watergate), én een verzameling van 3.700 uur aan geluidsopnames.

Tussen februari 1971 en juli 1973 nam Nixon alle gesprekken in het Witte Huis op. Vrijwel niemand, zelfs zijn vrouw niet, wist hiervan. De geluidsopnames zijn een schat aan informatie, waarvan tot dusverre vooral de gesprekken over Watergate bekend waren. De historici Douglas Brinkley en Luke Nichter zijn door alle opnames heengegaan. Hun boek The Nixon Tapes, dat juist is verschenen, geeft een veel diverser beeld van de president dan voorheen.

Nixon vond zichzelf een groot denker

Hoewel de tapes hem tijdens Watergate in de problemen brachten, was Richard Nixon (1913-1994) er de eerste jaren van overtuigd dat hij een geniale zet had gedaan, zegt Brinkley. „Hij vond zichzelf oprecht een groot denker. Een begaafd historicus, een briljant strateeg. Een soort nieuwe Churchill. Hij wilde na zijn presidentschap memoires schrijven die met die van hem konden wedijveren. Hij wilde de wereld deelgenoot maken van zijn inzichten.”

Het overgrote deel van de tapes gaat over buitenlandse politiek. In binnenlandse thema’s was Nixon nauwelijks geïnteresseerd. Ze geven volgens Brinkley het beeld van iemand die inderdaad verstand heeft van machtspolitiek, maar zonder enig moreel kompas vaart. „Een duivelse pragmatist”, omschrijft hij hem. „Hij nam soms goede beslissingen, soms domme. Maar uiteindelijk deed hij wat goed was voor Richard Nixon. Dat is wat hem dreef.”

Nixon dacht groot, voordat Watergate zijn carrière opslokte. Hij wilde de eerste naoorlogse president zijn die een goede relatie met het communistische China had. In februari 1972 bezocht hij het land. Hij gaf in gesprekken in zijn Oval Office toe dat hij die toenadering nodig had om de Sovjet-Unie en China uit elkaar te spelen. Hij wilde, zegt Brinkley, een wig drijven door aardig te zijn tegen de een, en streng te zijn tegen de ander.

Voor dat bezoek heeft Nixon sindsdien te veel krediet gekregen, vindt Brinkley. „Nixon en Kissinger deden er heel omzichtig over. Maar de Chinezen hadden al aan een Amerikaans pingpongteam laten weten te zoeken naar betere relaties. Nixon was daar boos over. Het was niet zo moeilijk als hij deed voorkomen om met de Chinezen te praten.”

Toen Nixon aantrad, leek hij een snel, maar voor Amerika eervol einde aan de Vietnamoorlog te willen maken. Hij had die oorlog van de Democratische president Johnson geërfd. Toch zette Nixon door, met dramatische gevolgen voor Vietnam, Laos en Cambodja. Ook stierven meer Amerikanen in Vietnam dan onder Johnson.

Tot moes bombarderen

Volgens Brinkley onthullen de geluidsbanden wat hierachter school. Nixon hield lange gesprekken over Vietnam met Henry Kissinger, toen zijn adviseur voor nationale veiligheid. Brinkley: „Hij wilde via Vietnam aan de Sovjet-Unie en China laten weten dat hij tot veel in staat was.” In april 1972 zei Nixon dat hij Noord-Vietnam „tot moes [wilde] bombarderen”. Brinkley: „‘Laat ze maar denken dat ik gek ben’, was zijn strategie.”

Nixons vermogen kil te analyseren verdween volgens Brinkley langzaam naar de achtergrond. In plaats daarvan werd hij paranoïde. „Hij was niet erg breed geïnteresseerd, maar beet zich vast in een paar obsessies. De oorlog, de pers. Hij kwam soms heel puriteins uit de hoek, als het over seks of vrouwen ging. En hij roddelde over de Kennedy’s.”

Nixon praatte voortdurend over zijn voorganger John F. Kennedy, die hem in 1960 versloeg. Nixon haatte en bewonderde hem tegelijkertijd, zegt Brinkley. In april 1971 zegt hij dat hij wil zijn als Kennedy: „Hij was koud, onpersoonlijk, hij behandelde zijn medewerkers als honden. Maar zijn staf creëerde een imago van warm, lief, aardig, leest veel boeken, filosoof, die dingen. Dat was mythologie. Wij hebben geen mythologie.”

Nixon zegt bijvoorbeeld tegen Kissinger dat hij een imago van moedigheid wil. „Ballen! Absoluut. Ballen! Vind je ook niet, Henry?”

Kissinger: „Zeker. Complexiteit en ballen.”

Nixon: „Hm, complexiteit. Iedereen verwacht van een president dat hij slim is, dus laat dat maar. Ik ben het wel, iets meer dan de meesten, maar niet zo slim als sommigen. Maar pure, onvervalste dapperheid, en een ijskoud temperament moeten opvallen. Godverdomme, kunnen we daar tenminste íets van overbrengen?”

Tijdens veel gesprekken valt Nixons antisemitisme op. Hoewel zijn naaste vertrouweling Kissinger joods is, zegt hij herhaaldelijk dat hij joden niet vertrouwt. Hij wil dat Kissinger zich niet met het Midden-Oosten bemoeit. „Iedereen die joods is, wordt daardoor beïnvloed. Stel je hem [Kissinger] voor. Goede God! Zijn volk is daar ergens gekruisigd. Jezus Christus!”

Later zegt hij: „De joden zitten overal in de overheid. [...] Bob [Haldeman, red.], je kunt de bastards niet vertrouwen. Ze keren zich tegen je. Heb ik gelijk of niet?”

Nog steeds een kwartier onvindbaar

Tijdens de Watergate-affaire gingen de opnames een cruciale rol spelen. Het Hooggerechtshof dwong Nixon de opnames vrij te geven, nadat zijn medewerker Alexander Butterfield tegenover een Senaatscommissie had bevestigd dat ze bestonden. Nixon verzette zich, er raakte een deel van ruim een kwartier op mysterieuze wijze kwijt, maar hij moest de Watergate-gerelateerde tapes openbaar maken. Daar zat onder meer de ‘smoking gun’-tape bij, een gesprek tussen Nixon en Haldeman dat onthulde dat Nixon zich al vanaf het begin bezighield met het verhullen van de aard van de inbraak.

Negen dagen na de beslissing van het Hooggerechtshof trad Nixon af. Hij zou anders vrijwel zeker door een impeachment-procedure zijn afgezet, en was dat zo voor. Ook speelde volgens Brinkley mee dat hij voor het eerst voelde dat ook hij niet boven de wet stond.

Journalist Carl Bernstein bracht samen met Bob Woodward de zaak via de Washington Post aan het rollen. Hij zei deze week dat hij nu pas een goed beeld van Nixons karakter krijgt. „Ik heb naar de opnames geluisterd, de Nixon Tapes gelezen, en ik kruip langzaam in zijn hoofd. Wat me opvalt, is dat hij zijn analytisch vermogen nooit inzette om zich de vraag te stellen: wat zou goed zijn voor Amerika? Die vraag stelt hij zich nergens.”

    • Guus Valk