opinie

    • Marcel van Roosmalen

De vette lach

Ik was met een Arnhemmer, die net als ik al jaren in Amsterdam woont, te gast in de Amsterdam Arena. Hij beschikte over speciale kaarten – „met eten en drinken” – voor de wedstrijd Ajax-Vitesse en zo belandden we in een zaal vol genodigden waar inderdaad ‘eten en drinken’ aanwezig was. We dienden per hapje af te rekenen met een speciale kaart waarop de thuisclub een saldo van 25 euro had gestort, die we bij ingang in een feestelijke envelop kregen.

Het was natuurlijk typisch Arnhems om het gegeven paard meteen in de bek te kijken. Bij Vitesse gebeurden veel rare dingen, maar zoiets zouden ze in Arnhem nooit doen.

„Daar staan gewoon schalen en dan mag je zoveel opscheppen als je wilt”, zei mijn vriend. Wat hij er niet bij zei, was dat als je je bord dan vol schepte dat je daar dan wel op aangekeken werd. Want dat is ook typisch Arnhems, om de zaak van een afstandje te becommentariëren.

„Die had zeker honger.”

Of: „Die vreet het behang van de muur.”

De humor van de Arnhemmer zit ’m in de terloops gemaakte opmerking. Zo hoorde ik de vorig jaar overleden Vitesse-icoon Theo Bos ooit met een stalen gezicht aan een chagrijnige serveerster vragen: „Mag ik jouw telefoonnummer?”

Kom daar eens om bij de Amsterdammer, als die iets grappigs heeft gezegd wil hij het weten ook. Die gaat dan triomfantelijk om zich heen zitten kijken, waarna de andere Amsterdammers weten wat ze te doen staat: lachen.

Eergisteren, een paar uur na die wedstrijd, kocht ik bij een café in Betondorp een pakje shag. Pas thuis merkte ik dat de barkeeper er een briefje in had gestopt met de tekst ‘Ajax 4 Vitesse 1’.

Een grapje.

Het complete personeel – bestaande uit twee broers, de een met, de ander zonder haar– stond me vandaag op de stoep voor het etablissement op te wachten toen ik op weg was naar de tramhalte. Even applaus oogsten omdat ze weer eens op z’n Amsterdams grappig waren geweest.

Ik kreeg een biertje aangeboden, wat ik niet afsloeg, en zo zat ik ineens aan de toog tussen Betondorpse Amsterdammers. René Froger, maar dan vijf keer. Het ging over voetbal.

„Wat praat jij moeilijk, maar wat wil je. Die heeft gisteren een beroerte gehad.”

„Hij ziet er wel beroerd uit.”

En daarna die vette lach.

Het was wachten op een gevatte opmerking van mijn kant, maar die kwam niet.

Arnhemmers bewaren de humor graag voor het goede moment.

    • Marcel van Roosmalen