‘De Wikipedia van de kaarten’ bestaat tien jaar. Hoe kwam dat van de grond?

OpenStreetMap Apeldoorn.

Tien jaar geleden kwam Steve Coast, destijds student, op een idee: een soort Wikipedia voor kaarten. Inmiddels heeft zijn OpenStreetMap vele gebruikers en zijn sommige delen van de wereld gedetailleerder in kaart gebracht dan op Google Maps. Hoe krijg je zo’n groots plan, dat valt of staat bij een wereldwijde community, van de grond?

Het idee. De Brit Steve Coast werkt bij een computerlab in Cambridge. Aan zijn laptop zit een gps-unit, waar hij verder eigenlijk niet zo veel mee kan. Ja, hij kan een kaart downloaden. Maar er zijn data voor nodig om er vervolgens iets nuttigs mee te doen. En die heeft hij niet tot zijn beschikking.

In een interview met TechChrunch van deze week, blikt hij terug:

“Dus dacht ik: waarom maken we dat niet gewoon? Als je gps tot je beschikking hebt, kun je rijden of fietsen of lopen over straten of voetpaden en die informatie gebruiken om een nieuwe kaart te creëren. Ik bouw een stukje kaart van waar ik woon en jij bouwt een stukje kaart van waar jij woont en zo maken we samen een soort legpuzzel - en geven dit toevallig gratis weg.”

Het eerste stukje wereldkaart. Coast fietst door Regent’s Park in Londen met zijn gps-unit, die zo groot is als een pak kaarten. Hij plugt de unit in zijn laptop. En daar is het allereerste gedeelte van OpenStreetMap geboren. Zijn ambitie: de hele wereld in kaart brengen en deze kaart gratis, zonder restricties delen aan iedereen met een internetverbinding.

De community. OpenStreetMap in de beginfase is vooral Coast. Maar hij heeft de rest van de wereld nodig, beseft hij. Hij begint nieuwsbrieven te versturen via e-mail. Hij geeft zo veel mogelijk presentaties, bijvoorbeeld voor een groep Linuxliefhebbers, een besturingssysteem dat ook op het principe open source gestoeld is (bij 500 presentaties stopt hij met tellen). En hij organiseert zogenoemde mapping parties. Bijeenkomsten waarop hij mensen leert hoe gps-systemen werken, hoe ze gegevens kunnen uploaden en integreren in OpenStreetMap. Daarna gaan ze naar de kroeg.

Op dit moment dragen meer dan een half miljoen mensen bij aan OpenStreetMap. De meeste van hen komen uit Europa. Kaarten van dit werelddeel zijn dan ook het compleetst. Maar er is een paar uitzonderingen. Kibera, de op een na grootste sloppenwijk van Afrika, is door vrijwilligers grotendeels vastgelegd, evenals Haïti. The New York Times schreef na de aardbeving in 2010 dat “de meest complete digitale kaart van Haïti’s wegen, ziekenhuizen en vluchtelingenkampen” is gebouwd door OpenStreetMap.

Tegen The Guardian zei Coast eerder:

“Vrijwilligers voegen niet alleen dingen toe als wegblokkades, ze gaan verder. Ze voegen voetpaden, parken en fietspaden toe en wandelpaden en miljoenen soorten andere gegevens. Ik stopte met bijhouden toen mensen base-jump plekken gingen toevoegen.”

De komst van de iPhone. Als de iPhone uitkomt, hoeven vrijwilligers niet meer met vijf verschillende apparaten over straat te lopen om de kaarten van OpenStreetMap bij te werken. Dat betekent lagere kosten en een lagere drempel om mee te doen. Maar de iPhone zorgt ook voor iets anders: mensen raken gewend aan het idee van een digitale landkaart in hun broekzak.

Het verschil met Google Maps. Google Maps is ook gratis. En Google Maps heeft ook een enorm bereik, en, na gigantische investeringen, de beschikking over gigantisch veel data. Sommige delen zijn echter beter in kaart gebracht door de ene partij, en sommige delen door de andere partij. Toch ziet Coast Google niet per se als een concurrent.

Hij zegt:

“Als je een aspect van OpenStreepMap niet leuk vindt, en je wil het veranderen, kun je dat doen. Wij geven mensen de vrijheid met gegevens te spelen, terwijl andere diensten ze voor zichzelf houden.”

De Bosnische hoofdstad Sarajevo op OpenStreetMap (links) en op Google Maps (rechts). Schermafbeelding van The Guardian

De uitdagingen. Nog altijd gaat het Coast vooral om het verzamelen van data. Dat is waar OpenStreetMap om draait. Zonder data, geen kaarten. Over gegevens als snelheidsbeperkingen of eenrichtingswegen beschikt OpenStreetMap nu nog nauwelijks, wat navigeren bemoeilijkt. Ook adresgegevens zijn moeilijk te verkrijgen. Het zijn problemen die veel mensen willen oplossen, dus Coach verwacht dan ook dat dit in de nabije toekomst op een of andere manier zal gebeuren.

“Je kunt gegevens crowdsourcen, je kunt mensen betalen om het te verzamelen, maar ik verwacht dat de oplossing een mix zal zijn van verschillende dingen. Elke keer als je bijvoorbeeld een check-in app gebruikt, geef je een signaal af: je zit in een bepaald restaurant, met een bepaald adres, op een bepaalde locatie.”

OpenStreetMap brengt, net als Google, landen gedetailleerd in kaart voor tijden van rampen:

    • Mirjam Remie