Taalbrokken

Illustratie Olivia Ettema

Hoe kon de Nederlandse taal ook weer bestaan vóór Vijftig tinten grijs? Hoe legden we uit wat we bedoelden toen die drie woorden nog niet in die volgorde waren gezet? Die vraag bekruipt je wanneer je de kranten van de afgelopen weken doorneemt: overal glinsteren de tinten je tegemoet. Vermoedelijk blijven ze nog lang in onze taal nagloeien nadat E.L. James’ trilogie allang vergeten is.

Zelfs ongewijzigd kan de zinsnede vijftig tinten grijs inmiddels al van alles betekenen: – van sadisme tot extreme saaiheid. Een voorbeeld van het laatste: „Nintendo zou”, volgens een gamerswebsite, „Nintendo niet zijn als ze gewoon soldaten stopten in een gebied vol vijftig tinten grijs.” Daar diametraal tegenover staat een vergelijking die de Vlaamse krant De Morgen maakt tussen het Vlaamse regeerakkoord en de erotische roman: „het bestraffen heeft niet altijd een economische finaliteit, maar lijkt soms een doel op zich.”

Maar als je varieert op grijs, barst het pas echt los. Het thema van een tuinbeurs in de Brabanthallen was vijftig tinten groen. Psychologen organiseerden een evenement vijftig tinten psychomotorische therapie. De voetbaljournalist Edwin Struis bracht een boekje Vijftig tinten Struis uit. Eén kleur doet het vooral goed: homo-organisaties houden overal feesten die vijftig tinten roze heten, en Viva noemde ook een modereportage zo.

Het is natuurlijk niet de eerste boektitel die het overkomt. De schrijver Gabriel García Márquez had er een neus voor, en zal voortleven in onder andere de naam van een folder van een Limburgse mantelzorgorganisatie (Liefde in tijden van ziekten), een liedje van Rob de Nijs (Honderd jaar eenzaamheid) en een artikel op een website voor beleggingsexperts (Kroniek van een aangekondigde renteverhoging).

Met Nederlandse boektitels lukt het ook. Teunis Bunt, een leraar Nederlands, houdt op zijn weblog een overzicht bij met krantenkoppen als Alleen maar nette kinderen (over elitescholen in Amsterdam) en Opwaaiende kaftans (over de groeimarkt voor oosterse avondjurken). Bunt wijst ook op dichtregels met eenzelfde functie. „Het geheugen van Adri van der Heijden”, kopte de Volkskrant vorig jaar, „hij tikt ertegen en het zingt” – een verwijzing naar een gedicht van Achterberg. Die lijst dichtregels valt makkelijk uit te breiden. Op internet zijn mensen, in navolging van J.C. Bloem, „domweg gelukkig” in onder andere de Pekelharingstraat, de themawijk, de gribusflat en de datsja.

Iedereen heeft grotere en kleinere taalklonten in zijn hoofd. Een hoger opgeleide Nederlander kent volgens sommige schattingen zo’n veertigduizend woorden, maar het is duidelijk te simplistisch om iemands taalschat alleen aan zijn woorden af te meten. Ergens in het hoofd van die hoger opgeleide zitten ook taalbrokken als vijftig tinten x. Zoals daar trouwens ook wie denk je wel dat je bent? zit en al zeg ik het zelf en nog talloze vaste verbindingen. Niemand weet hoeveel dat er zijn.

Wat wel duidelijk is: als iemand zo’n klontje in een nieuwe context gebruikt, is dat heel bevredigend. Er klikken twee stukjes van je geheugen in elkaar én je bent even onder elkaar, met andere lezers, met mensen die ergens in hun hoofd dezelfde verbinding hebben. Vandaar dat er geen fijner slogan is dan Een nieuwe lente en een nieuwe wasmachine.

    • Marc van Oostendorp