Sinéad is de baas op nieuwe plaat

Vandaag verschijnt het nieuwe album van de Ierse zangeres Sinéad O’Connor. ‘I’m Not Bossy. I’m The Boss’ is misschien wel haar mooiste plaat in twintig jaar. Vrouwenrechten vormen nog steeds een terugkerend thema.

Sinéad O’Connor hult zich in een sexy outfit – strak latex en zwarte pruik – voor haar nieuwste album I’m not Bossy, I’m the Boss, om de draak te steken met sexy podiumgedrag van popsterren als Miley Cyrus. Foto Donal Moloney

Denk niet dat ze er nu dagelijks zo bij loopt, meldt Sinéad O’Connor over het imago van sexy glamourpoes dat ze zich heeft aangemeten voor de hoes van haar nieuwe album I’m Not Bossy. I’m The Boss. „Een koelbloedige publiciteitsstunt om aandacht te trekken voor mijn fan-fucking-tastische plaat”, noemt ze haar transformatie tot verleidelijke vamp in een strak latexpakje met zwarte pruik.

Vorig jaar zwengelde de Ierse zangeres een discussie aan over seks en popmuziek, door middel van vijf open brieven waarin ze haar Amerikaanse collegaatje Miley Cyrus betichtte van „prostitutie onder het mom van feminisme”. Vrouwen worden geëxploiteerd door de muziekindustrie, vindt O’Connor, en Cyrus gedraagt zich onverantwoordelijk door halfnaakt te ‘twerken’ (droogneuken) op het podium. Miley Cyrus vergeleek Sinéad O’Connor op Twitter met iemand die geestelijk gestoord is, waarop O’Connor (die een historie van psychische problemen heeft) excuses eiste.

En nu staat Sinéad dus zelf in een latexjurkje ironisch met haar kont te schudden, in de videoclip van het sleutelnummer Take me to church van haar nieuwe album. Haar kritiek op de Katholieke Kerk is welbekend en in het lied vraagt ze om een godshuis waar een gelovige zich veilig kan voelen, ‘not the ones that hurt’.

Controverse achtervolgt haar sinds ze in 1992 een foto van de paus verscheurde tijdens een optreden bij Saturday Night Live. Frank Sinatra beloofde haar een trap voor haar kont, toen ze weigerde op te treden als het Amerikaanse volkslied voor haar concerten gespeeld zou worden.

Kindermishandeling, oorlog en vrouwenrechten zijn terugkerende thema’s in haar muziek en persoonlijk leven. Met de albumtitel I’m Not Bossy. I’m The Boss levert O’Connor commentaar op de veronderstelling dat vrouwen bazig en bitchy gevonden worden als ze het heft in handen nemen, terwijl dat bij mannen juist als een aanbeveling voor hun leiderschap wordt gezien. Sinéad is duidelijk de baas op haar negende album na haar debuut The Lion and the Cobra uit 1987. Drie jaar later brak ze wereldwijd door met de Prince-cover Nothing compares 2 U en een clip waarin ze echte tranen huilde. Het nummer stond in 1990 zeven week op nummer 1 van de Nederlandse Top 40 en was dat jaar de best verkochte single van Nederland.

O’Connor maakte het nieuwe album samen met haar vertrouwde coproducent John Reynolds en de muziek klinkt zelfverzekerd en doorleefd. Haar stem is dieper en rafeliger geworden, met een rauw randje dat er 25 jaar geleden nog niet aan zat. De twaalf nummers klinken degelijk en zorgvuldig uitgearrangeerd, om des te meer gewicht te geven aan haar strijdbare teksten. In een rijk muzikaal spectrum waagt O’Connor zich zelfs aan funk, met hulp van Fela Kuti’s zoon Seun die een mysterieus Afrikaans element en een puntige saxsolo inbrengt bij de onweerstaanbare swing van het nummer James Brown.

Interviews houdt ze af met beperkende voorwaarden. Er mag niet over persoonlijke zaken gepraat worden, en niet over het verleden. Wel hield ze vorige week een online vragenuurtje via The Guardian, waarbij ze vooral de onbenullige fanvragen eruit lichtte. Heeft ze liever mayonaise bij haar patat of ketchup (antwoord: mayo) en welk album van Van Morrison prefereert ze: Astral Weeks of Veedon Fleece? (het laatste). Heeft ze een advies voor jonge singer-songwriters? „Ren weg. Zoek een echte baan.” Welke beroemdheid is de grootste eikel? „Ikzelf.” De vraag of ze nu opnieuw een foto van de paus voor de ogen van miljoenen Amerikanen op livetelevisie zou verscheuren, negeerde ze.

Intussen levert Sinéad O’Connor misschien wel haar mooiste album in twintig jaar, na het indringende Universal Mother (1994) waarop ze haar demonen te lijf ging. Haar muziek is een diepgevoelde roep om liefde en een beetje warmte in haar bestaan, met prachtige songs als Your green jacket waarin ze zich hardop afvraagt of het egoïstisch is als je iets van jezelf wilt terugzien in een geliefde.

De tijd is rijp om haar onzekerheden af te schudden en niet meer verborgen te gaan achter een vals imago, zingt ze in How about I be me? In haar muziek hoeft Sinéad O’Connor zich nergens meer achter te verschuilen. Op 47-jarige leeftijd is ze een gelouterd popzangeres die met intens persoonlijke songs als 8 Good reasons en Take me to church bewijst dat ze meekan met de allergrootsten.