Honkbal, tamtam en nazi’s

Toen Warren G. Harding, de 29ste president van de Verenigde Staten, in 1923 onverwacht aan een beroerte overleed, ‘stond hij op het punt ontmaskerd te worden als een patser en een sufferd’, schrijft de Amerikaanse schrijver Bill Bryson in De zomer van 1927. Zijn enige kwaliteit was dat hij een knappe verschijning was. Maar ‘in bijna elk ander opzicht – intelligentie, karakter, ondernemingslust – was hij een stuk minder dan middelmatig’. Harding was bovendien een lomperik die eens tijdens een bijeenkomst in het Witte Huis van zijn stoel opstond om in de open haard te pissen.

De bron van het pisincident is Richards Vidmer, de journalist die in de jaren twintig voor The New York Times over de New York Yankees schreef. ‘Vidmer was misschien wel het meest gedenkwaardig als de slechtste sportjournalist ooit,’ schrijft Bryson lang nadat hij Harding heeft geportretteerd. Vidmer fantaseerde veel van zijn krantenartikelen bij elkaar. Dat hij mogelijk ook het incident in het Witte Huis heeft verzonnen, merkt Bryson niet op.

Het portret van Harding is typerend voor De zomer van 1927, een dikke pil over de gebeurtenissen die in de maanden mei tot en met september 1927 in de VS plaatshadden. De anekdote gaat voor alles; aan het kapot checken van goede verhalen doet Bryson niet. En net als Harding zijn bijna alle spraakmakende Amerikanen in De zomer van 1927 halve en hele gekken en schurken. Zo was Hardings opvolger, president John Calvin Coolidge, weliswaar niet zo’n „rotzak” als zijn voorganger, maar „deed hij niets wat niet strikt noodzakelijk was”. Henry Ford, de autofabrikant in Detroit die na de zomer van 1927 de A-Ford als opvolger van de beroemde T-Ford introduceerde, schildert Bryson af als een antisemitische, louter sojaproducten consumerende querulant die alleen dankzij briljante medewerkers de rijkste man van Amerika kon worden.

In De zomer van 1927 volgt de Amerikaanse en in Engeland levende schrijver Bryson hetzelfde procedé als in zijn bestsellers Een kleine geschiedenis van bijna alles (2003) en Een huis vol. Een kleine geschiedenis van het dagelijks leven. De zomer van 1927 is een lange aaneenschakeling van feiten, verhalen, portretten en anekdotes die op een handige, soms oubollige en vaak jolige manier aan elkaar zijn geschreven.