De strafrechtspraak piept, kraakt en walmt

Gaat het eigenlijk wel goed met het Openbaar Ministerie? Soms mag je daaraan twijfelen. Half juni noemde raadsheer Ybo Buruma van de Hoge Raad in zijn jaarrede bij de Nederlandse Juristenvereniging het OM een gesloten, ‘intern georiënteerde’ organisatie die kwetsbaar is voor fouten. „Omdat officieren zich organisatorisch laten afschermen, komt input van buiten niet meer door. Advocaten die evidente misslagen willen herstellen – bijvoorbeeld omdat relevante stukken in dossiers ontbreken – of eenvoudige telefonische of schriftelijke verzoeken hebben, kunnen met geen mogelijkheid iemand bereiken die het dossier kent. Bij de zaken die voor de rechter komen zien we niet alleen nog steeds vreemde vervolgingsbeslissingen, maar ook ongelukkige tenlasteleggingen, dagvaardingen die naar kenbaar verkeerde adressen zijn verstuurd, missers bij het zoeken naar getuigen enz. Het resultaat is ergernis, aanhouding en uitstel van zaken en soms niet voldoende verantwoorde uitspraken.”

Of wat te denken van de Amsterdamse strafrechter Willem Korthals Altes, onlangs op het blog Ivorentoga.nl. Hij is daar verwikkeld in een discussie over de vraag of de strafrechter zijn eigen zittingen nog wel kan organiseren. Voor buitenstaanders lijkt dat evident, maar binnen de strafrechtspraak is het een bron van onenigheid. Luister naar de retorische vragen van Korthals Altes: „Ben ik misschien een ouderwetse strafrechter? Ben ik iemand die op basis van de inhoud van het dossier zelf wil kunnen bepalen wat hij op zijn zitting behandelt? Die vindt dat zaken – zeker die met een langere adem – bij dezelfde rechter(s) moeten blijven? Die tijdig zijn stukken wil hebben? Die de gelegenheid wil onvolkomenheden recht te zetten, bijvoorbeeld om een onnodige aanhouding te voorkomen? Die adequaat op verzoeken van de verdediging wil kunnen reageren?”

Het antwoord is natuurlijk ‘ja’, maar kennelijk is de praktijk nee. Dat is dan toch vrij treurig. Dat blijkt ook uit het vervolg. „Je merkt (te laat) dat zaken die in hetzelfde onderzoek thuishoren, op verschillende zittingen worden gezet, met als gevolg dat iedereen die daarmee bezig is, voor zichzelf het wiel zit uit te vinden. Dossiers komen (te) laat op je bureau. Dossiers van grotere zaken zijn niet behoorlijk geordend (bijvoorbeeld in ordners, die daarvoor niet voor niets zijn ontworpen). Je krijgt incomplete en/of chaotische schaduwdossiers.”

En dan hebben we het nog niet gehad over de evergreen in het hele strafrechtbedrijf: IT. De strafrechter en de officier gebruiken eigen geautomatiseerde systemen die niet met elkaar communiceren, wat plannen en samen aan hetzelfde werken vrijwel onmogelijk maakt. Intussen moet het OM fors bezuinigen, wat vooral op het niveau van de ondersteuning gebeurt. Rechter Korthals Altes ondervond al gevolgen aan den lijve. „Ik mag de stukken niet meer in ordners doen”, zo vertelde een parketsecretaris (OM) die een hoge stapel kopieën op zijn bureau deponeerde. Waarna de geleerde rechter zelf maar op zoek ging naar ordners - en de strafzaak op volgorde legde en inbond.

Is dit nu klein leed, gemopper aan de koffieautomaat? Dat het zo moeilijk is om goed personeel te krijgen dat nog met ordners kan omgaan? Of zijn het tekenen van een vastlopende strafrechtbureaucratie? Het is natuurlijk weer niet aardig van me, maar aan de aantallen zaken kan het niet liggen. De werklast neemt namelijk duidelijk af. Het OM behandelt sinds 2005 ieder jaar minder misdrijfzaken. Het laatste jaarverslag houdt het voor 2013 op 215.000. In 2005 waren dat er nog 264.000. Het piept, het kraakt, maakt steeds minder toeren en er komt rook uit – de strafrechtspraak is toe aan een grote revisie.

    • Folkert Jensma