Bezield college over baanbrekers

In het tv-programma Zomergasten hield musicus De Leeuw een gepassioneerd betoog over grensverleggende componisten uit de vorige eeuw. Geen ontboezemingen; zijn persoonlijkheid mocht niet tussen de kijker en de muziek komen te staan.

Aan het eind van de avond moet ik terugdenken aan een analyse die pianist Glenn Gould geeft in de documentaire Richter, l’Insoumis (Bruno Monsaingeon, 1998) over collega Svjatoslav Richter. Je hebt twee categorieën muziekuitvoeringen, stelt Gould: die waarin de muzikanten ons vooral bewust willen maken van hun relatie met het instrument, zoals duivelskunstenaars Liszt en Paganini, en die waarin de muzikant het instrument juist ondergeschikt maakt en zo de luisteraar helpt een band te krijgen met de muziek zelf, niet per se met de uitvoering.

Als Zomergasten een uitvoering is, en de gast het instrument, is dit een uitvoering van de laatste categorie: het ging om de muziek, enkel om de muziek – musicus Reinbert de Leeuw zelf was ondergeschikt.

Niet dat hij de regie verliest: hij dirigeert de avond, weet precies wat hij wil vertellen en wat niet, Wilfried de Jong stuurt slechts af en toe bij. Maar hij wil zichzelf absoluut niet op de voorgrond plaatsen. Hij noemt dirigent een ‘zwaar overschat’ beroep, heeft veel bewondering voor de muzikanten en componisten die niet onder de indruk zijn van faam en prestige, en is niet van plan veel over zichzelf te vertellen.

Iets wat al bij de eerste voorzichtige vragen over zijn vroeggestorven ouders duidelijk wordt – opeens is zijn leeftijd een troef, en het lijkt of hij met een twinkelend genoegen aangeeft dat hij zich die dingen uiteraard allang niet meer herinnert. Als later op de avond De Jong hem opnieuw naar wat persoonlijkere ontboezemingen probeert te leiden, geeft hij ronduit aan dat hij niet op televisie over zijn privéleven gaat praten.

Hij zegt het alsof het woordje ‘jeugd’ alleen al van de avond een aflevering van RTL Boulevard kan maken, waarin hij eerst zou opbiechten dat hij seksueel opgewonden wordt van het twaalftoonsysteem en aan het eind van de avond huilend in De Jongs armen ligt omdat zijn moeder nooit van hem gehouden heeft. Dat is volgens mij onterecht, maar zo wordt het de avond die hij wil laten zien: vol mensen die vernieuwing zochten en vonden, vol muziek.

Het is ook een drie uur durend college, en soms mis ik lucht of diversiteit. De muziek is niet altijd toegankelijk, maar fascineert wel, zoals de prachtige opera Saint François d’Assise (1983) van Olivier Messiaen, waarin een engel speelt op een ondes-Martenot, een synthesizer die klinkt als een zingende zaag – betoverend en buitenaards. Of het vervreemdende en spannende dovenkoor dat Bach zingt bij het fragment uit de documentaire Like it Here? (Carine Bijlsma, donderdag op tv), waarin actrice Elsie de Brauw een voorstelling maakt met regisseur/choreograaf Alain Platel.

Heftig is de muziek van de Russische componiste Galina Oestvolskaja (Schreeuw in het Heelal, Josée Voormans, 2005). De Leeuw vertelt de hele avond met verve, hij wekt de momenten uit de muziekgeschiedenis waarover hij praat tot leven, en over Oestvolskaja vertelt hij op zijn best: hoe hij bij het spelen van haar muziek zijn knokkels kapot moest slaan, hoe de muziek alles van hem vergde, hoe het alleen kan als het echt pijn doet.

Een avond vol allesoverheersende bezieling. Niet altijd even toegankelijk, maar net als bij de muziek gold: wie luisterde, kon veel moois ontdekken.