Als hij  iets grappig vindt dan ishet grappig

Hij is de humorpaus van Amerika, tekent zelf en beoordeelt andere cartoonisten voor het Amerikaanse magazine The New Yorker. „Komisch zijn, is wakker zijn. Veel mensen slaapwandelen door het leven.”

foto getty images

Voor iemand die zijn werk heeft gemaakt van humor, is Bob Mankoff (70) opmerkelijk serieus. Eigenlijk kan hij zelden om een grap lachen. Stand-up comedy vindt hij niks aan. Lachen omdat de hele zaal lacht. Grappen over politiek? Dat is lachen om een ander. Saai.

Humor is een geheim. Het moet ontraadseld en ontleed worden, zoals wetenschappers muziek analyseren. Het is het levenswerk van Bob Mankoff. Hij heeft de definitie van de grap nog niet helemaal rond, maar hij komt een heel eind. Hij zegt dat iedere goede grap voldoet aan vaste basiselementen. Conflict, en verrassing.

Dit is zijn grootste ontdekking: humor is niet leuk. Meestal niet, tenminste. „Die is zo goed of slecht als wijzelf zijn. Soms mooi, soms pikzwart. Neem de foto’s van mishandelde Irakezen in Abu Ghraib. Er staan lachende Amerikaanse militairen bij, ze denken dat ze iets humoristisch doen. Een verschrikkelijke grap. Maar wel een grap.”

Bob Mankoff is de humorpaus van Amerika. Hij is sinds 1997 cartoon editor van het gerenommeerde tijdschrift The New Yorker. Die tekeningen zijn het handelsmerk van het blad, dat een oplage van ruim een miljoen exemplaren heeft. Mankoff krijgt wekelijks vijfhonderd tekeningen onder ogen, zijn eigen cartoons niet meegeteld, en hij bepaalt welke cartoons worden geplaatst. Het maakt hem een monopolist in zijn vakgebied. ‘Als hij iets grappig vindt, ís het grappig’, schreef The New York Times over hem.

Deze dinsdagochtend houdt hij, zoals elke dinsdag, audiëntie in zijn kleine kantoor op Times Square. Cartoonisten staan ook deze ochtend in de rij met stapels tekeningen. Zijn kantoor, zei hij eens, is de Mount Everest voor tekenaars – het hoogst haalbare. Geduldig, bijna onderdanig wachten de tekenaars tot Mankoff ze binnenlaat. Mankoff bekijkt de tekeningen stuk voor stuk peinzend, en lacht er vrijwel nooit bij. Soms verandert hij een tekst onder een tekening, zodat een grap volgens hem wél werkt.

Mankoff weet hoe nederig het vak is voor de ruim vijftien cartoonisten die deze ochtend op hun beurt wachten. Hij stuurde zelf ruim vijfhonderd tekeningen naar The New Yorker voordat het blad in 1977 zijn eerste cartoon plaatste. Inmiddels zijn het er meer dan negenhonderd. Eén cartoon, uit 1993, maakte Mankoff beroemd. Hij hangt ingelijst aan de muur van zijn kantoor. Een man in pak staat achter een bureau, en kijkt in zijn agenda. Aan de telefoon zegt hij: ‘Nee, donderdag kan ik niet. Wat dacht je van nooit – schikt nooit?’

‘How about never – is never good for you’ ontstond toen Mankoff iemand aan de telefoon probeerde af te wimpelen. Door de tekening werd het een gevleugelde uitdrukking in de Verenigde Staten. Democraten gebruikten hem om de houding van de Republikeinen te typeren. De zin is op slipjes gedrukt. Het is ook de titel van Mankoffs autobiografie, die onlangs verscheen.

Het boek is te lezen als Mankoffs poëtica, verpakt in een levensbeschrijving. Man-koff ziet humor als exacte wetenschap. Er is bijvoorbeeld de Wet van Drie. Een goede grap zet in minimaal twee stappen een dwaalspoor op, en haalt dat spoor in de derde stap onderuit. Neem de grap van de holbewoner, die zegt: ‘Ik snap het niet. De lucht is schoon, we eten biologisch, en toch worden we niet ouder dan 30.’

Terwijl Mankoff praat, geeft hij knikjes en korte commando’s. ‘Oké Glass, maak foto.’ ‘Oké Glass, film.’ Hij heeft sinds kort Google Glass, en gebruikt de bril de hele dag. „Ik ben mijn leven al gefascineerd door technologie. Het is in mijn cartoons een vast terugkerend thema. Dat iedereen in de metro in een smartphone tuurt, vinden we normaal, maar het is iets heel tijdelijks. Niemand had het vijf jaar geleden kunnen vermoeden. En over honderdduizend jaar graven ze een iPhone op, en zeggen ze: ‘Hm, dit was waarschijnlijk een religieus symbool, want iedereen praatte ertegen.’”

Hoe gebruikt u zulke observaties in uw werk?

„Komisch kunnen zijn betekent: wakker zijn. De meeste mensen slaapwandelen door het leven. Ze zien het wonderlijke niet van schijnbaar normale situaties. Ik zat naar je te kijken terwijl je naar binnen liep. Ik zag dat je je telefoon pakte en stelde me voor wat je zou denken als je die niet kon vinden.”

Hij gaat staan. „Bijvoorbeeld: ‘Eindelijk, dat interview met Bob. Zó’n zin in! O wacht, ik ben mijn telefoon vergeten. Laat dat interview maar zitten, terug naar het hotel!’”

Hij gaat weer zitten. „Goed. Dat is nog geen kant-en-klare cartoon. Maar dan maak ik een astronaut van je, en laat ik je hetzelfde denken tijdens een maanlanding. Kijk, zo ontstaat een grap. Ik teken iets absurds, maar zeg wel iets over de tijd waarin we leven. In dit geval onze afhankelijkheid van technologie.”

U staat ver af van de actualiteit, maar hint er wel graag naar. U plaatste een cartoon van Mozes die door de Rode Zee trekt...

„...terwijl iemand achter hem fluistert: ‘Hij is oké. Ik wou alleen dat hij wat meer pro-Israël was.’ Die grap werkt, omdat ik niemand kan bedenken die meer pro-Israël is dan Mozes. Door die overdrijving ga je nadenken over, bijvoorbeeld, de Tea Party. Eric Cantor (de leider van de Republikeinen in het Huis van Afgevaardigden, red.) verloor een voorverkiezing van een Tea Party-kandidaat omdat hij niet pro-Israël genoeg was. De meest conservatieve politicus die ik ken. Deze cartoon wijst op dat absurde mechanisme, zonder het te noemen.”

Waarom houdt u dan niet van politieke prenten?

„Ik wil met mijn lezers graag nadenken over onszelf. Onze zwaktes, onze hypocrisie, die zijn interessant. Ik wil geen schandalen aan de kaak stellen. Ik wil niet lezen dat andere mensen flapdrollen zijn. Ik wil lezen waarom wíj flapdrollen zijn.”

Zelfspot vindt u leuker dan lachen om een ander?

„Ik houd niet van grappen die de zwakkeren als doelwit hebben. Ik plaats veel cartoons over de upper middle class, lezers van The New Yorker. Ik plaatste laatst een cartoon met de tekst: ‘Ik ben nog maar een week glutenvrij, en ik ben nu al onuitstaanbaar.’ Die grap gaat over óns, niet over iemand anders.”

Mankoffs visie op wat grappig is, werd gevormd tijdens zijn jeugd. Hij groeide op in een traditioneel joods gezin in The Bronx, waar, zegt hij, zijn moeder een constante bron van gêne was. Nooit was ze tevreden. Maaltijden in restaurants wees ze altijd af, voordat ze geproefd had. Hij leerde van zijn moeder de kunst van het smaakvol beledigen. Ze noemde hem, in het Jiddisch, ‘klainer hunt’ (kleine hond), of ‘groisser ferd’ (groot paard).

Zijn vader, een militair, stuurde haar tijdens de Tweede Wereldoorlog een handtas vanuit het pas bevrijde Parijs. ‘Deze is heel populair in Parijs, dus in The Bronx zal het ook wel gaan’, schreef hij. Bob Mankoff las er als kind al sarcasme in. Hij dacht: wat een goede grap.

Mankoff: „Lachen om jezelf en je eigen groep is de basis van joodse humor. Niet dankzij de Thora, daar wordt alleen maar gestraft.

De Talmoed, de commentaren, zijn veel leuker. De Talmoed stelt vraagtekens, argumenteert tot op het bot. Er worden zoveel haren gesplitst, dat er ruimte voor grappen ontstaat.

„In Oost-Europa, waar mijn familie vandaan komt, werden joden geïsoleerd en vervolgd. In die gemeenschappen werd humor, lachen om de buitenwereld en elkaar, een wapen. Ultra-orthodoxen maken grappen over orthodoxen, conservatieven grapten over geassimileerden. Joodse humor is beschouwend, theoretisch. Het is niet agressief, of plat, zoals 95 procent van de grappen. Het gaat altijd over de vraag: wie zijn wij?”

Hij pakt zijn schetsboek en tekent twee cirkels. In beide cirkels tekent hij een dood vogeltje. „Dit is jouw land, en dit is mijn land. Op beide stukken valt een vogeltje dood neer. Dan is duidelijk: het ene is van jou, het andere van mij.”

Bob Mankoff tekent nu een vogeltje dat half op de ene en half op de andere cirkel ligt. „Maar wat als een vogeltje er precies tussenin valt? Daar begint het grijze gebied, en dat is altijd vruchtbare grond voor een goede grap. Mijn ouders komen uit die traditie, al hadden ze daar geen idee van.”

Hij kijkt op van zijn schetsboek. Er schiet hem iets te binnen. „Een Duitser vroeg me laatst: ‘waarom zijn wij Duitsers niet grappig?’ Ik zei: ‘de grappige Duitsers hebben jullie allemaal uitgeroeid’.”

U vindt humor niet per se iets positiefs.

„Humor heeft een sociale context, die ik verafschuw. Om komieken wordt door een hele zaal gebulderd, ook als de grappen niet goed zijn. Ze kunnen een lach uitlokken door iemand te imiteren. Dat is per definitie bedoeld om iemand onderuit te halen. Het wordt pas interessant als je alleen bent. Ik sta er niet naast als je The New Yorker leest. Een cartoon moet alleen het werk doen.”

Cartoons in The New Yorker hebben de reputatie moeilijk te zijn. Mankoff zegt: de lezer moet er wel voor werken. Er is zelfs een hele Seinfeld-aflevering gewijd aan een onbegrepen New Yorker-cartoon. In de (niet bestaande) cartoon zitten een kat en een hond in een kantoor, waarop de kat zegt: ‘Ik heb genoten van je e-mail.’

Mankoffs visie wordt door de buitenwereld soms snobistisch gevonden. Mankoff zegt dat dat komt omdat hij niet trendgevoelig is. Nooit geweest. Hij was, ondanks zijn lange haar, geen hippie. Hij weigerde in de jaren 90 vaker schunnige grappen te plaatsen, terwijl toenmalig hoofdredacteur Tina Brown vond dat het blad met de tijd moest meegaan. Eén modernisering voerde hij in: lezers mogen het onderschrift bij de cartoon op de laatste pagina zelf verzinnen. Hij plaatst de winnende tekst, ook als hij het er niet mee eens is.

Is humor trendgevoelig?

„Het is allemaal veel ironischer geworden. Het is metahumor, een grap over de grap. Internet heeft voor die verandering gezorgd. Alles draait nu om incongruenties. Neem een citaat van Nietzsche, en laat het uitspreken door een stripfiguur. Op Twitter zag ik dat citaten van Kanye West onder cartoons van The New Yorker werden geplakt.”

Ziet u dat als commentaar op Kanye West of op The New Yorker?

„Beide. Het bevestigt de beelden die mensen al hebben van Kanye West, een dommige rapper, en The New Yorker, een elitair instituut. Maar het toont vooral het hysterische karakter van sociale media: als iedereen je zegt hoe grappig het is, vind je dat ook. En dan deel je het verder.”

Als u cartoons beoordeelt, lacht u zelden.

„Ik wil geen keuze maken op basis van de hardste lach. Ik heb geen lachmeter onder mijn bureau. Een muziekrecensent roept ook niet ‘bravo!’ als hij naar een stuk luistert. Ik schakel het mechanisme om te lachen uit, zodat ik een diepere laag in mezelf kan laten oordelen of iets goed is.”

U theoretiseert graag. Maar is het niet vaak een kwestie van: de grap is leuk of niet?

„Humor is overal in ons leven, en is belangrijk. Daarom moeten we die tot op het bot analyseren. Ik hoor mensen vaak zeggen: praat nou niet zo, dan is de lol eraf. Maar kunst en muziek analyseren we ook. Lachen om iedere mop waarvan je de clou snapt, creëert humorblindheid. Daar blijf ik me tegen verzetten.”

    • Guus Valk