Zelfs kreten van pijn en niesbuien voegen zich naar het klanksysteem van een taal

Deze zomer behandelt de redactie vragen die lezers bezighouden. De Grote Zomervraag van deze week: zijn er universele communicatieve geluiden?

Illustratie Martijn Boudestein

Hoe universeel zijn uitroepen en verzuchtingen als ‘Auw!’ en ‘Oh!’ en andere piepkleine woordjes als ‘Hm’ en ‘Ehm...’? Zijn die woordjes in alle talen hetzelfde? Zijn het eigenlijk wel woorden?

Wie zich bezeert zegt ‘Auw!’. Tenminste, zo is dat in het Nederlands. Een Spaanstalige die zich bezeert zal waarschijnlijk ‘Ay!’ zeggen. Een Engelstalige komt misschien eerder uit op ‘Ouch!’ of ‘Ow!’ Is dat allemaal ongeveer hetzelfde woord? Ja en nee.

Omdat de omstandigheden waaronder deze pijnwoorden gearticuleerd worden zeer extreem zijn - een onverwachte pijnscheut en de reflex die daar onmiddellijk op volgt - is de mogelijke vorm van zo’n woord ook uiterst beperkt: de uitspraak ervan moet moeiteloos kunnen samenvallen met die snelle reflex. Dat is niet veel woorden gegeven. ‘Huppekee’ als uitroep van pijn is ondenkbaar. Maar ‘Oef!’ en ‘Ah!’ zijn wel mogelijk.

Kortom: de uitroep van pijn varieert per taal, maar de bandbreedte van die variatie is, door de bijzondere fysieke omstandigheden, erg klein. Daardoor komen talen uit op woorden die op elkaar lijken.

Bij niezen is dat net zo. ‘Hatsjie!’ We ervaren dat nieswoord als spontaan en niet gecontroleerd. En toch, het is: aangeleerd.

Kijk maar naar wat andere talen ervan maken. Het Japans: ‘Haksjon!’

Portugees: ‘Atsjiem!’ Spaans: ‘Atsjies!’ Al deze woorden lijken op elkaar omdat ze op dezelfde niesbeweging moeten passen: eerst naar lucht happen (de eerste lettergreep van het woord), daarna het niezen zelf (de tweede lettergreep).

Maar hoe zit het met die kleine woordjes waarmee mensen in een gesprek duidelijk maken dat ze aandachtig luisteren (‘hm’ en ‘hm-hm’) of dat ze, hoewel ze even aarzelen in hun betoog, toch graag nog even aan het woord willen blijven (‘eh’)? Die zijn zo klein en minimaal, dat je zou kunnen verwachten dat dat in alle talen hetzelfde is.

In beide gevallen gaat het om korte geluidjes die gemaakt worden door de stembanden te laten trillen met de mond in neutrale stand. Bij ‘eh’ is de mond geopend, bij ‘hm’ gesloten. Simpeler kan het eigenlijk niet. Mond open betekent: ik praat en wil daar nog graag even mee doorgaan. Mond gesloten: ik luister.

Wat een neutrale stand van de mond (en de tong) is, hangt af van hoe het klanksysteem van de betreffende taal precies in elkaar zit. ‘Eh’ klinkt daardoor in het Spaans net even anders dan in het Nederlands. Maar, belangrijker misschien, ‘eh’ maakt deel uit van een veel breder repertoire van ‘fillers’, waarmee sprekers haperingen in hun betoog kunnen opvullen. Andere opvulmogelijkheden zijn: de beroemde en beruchte stopwoordjes (‘ja’, ‘gewoon’, ‘zeg maar’), lidwoorden herhalen (‘Dat is gewoon een een een A-locatie’), de laatste klank van een woord langer aanhouden. Dat laatste is vooral verleidelijk bij talen die veel woorden hebben die op klinkers eindigen - de Romaanse talen bijvoorbeeld. Of er in een taal vaak of minder vaak ‘eh’ gezegd wordt, zou daarmee kunnen samenhangen. Wie zal het zeggen? Het is nog nooit onderzocht.

Een ander klein en minimaal woordje, ‘hè?’, kwam afgelopen winter in het nieuws. ‘Hè?’ is in het Nederlands de kortste manier om ‘Wat zeg je?’ of ‘Wat bedoel je?’ te zeggen. In een Nijmeegs onderzoek werden tien zeer uiteenlopende talen onder de loep genomen. Elk van die talen bleek te beschikken over zo’n minimaal woordje met de betekenis van ‘hè?’ En al die woordjes leken wel wat op elkaar. In het Engels was het: ‘Huh?’ In het Spaans: ‘Eh?’ (uit te spreken als de Nederlandse klank ‘i’ plus vraagintonatie). In het Mandarijn: ‘A?’

Ook hier was de conclusie: die woordjes lijken op elkaar omdat de omstandigheden zo dwingend en beperkend zijn. Het woord moet zo kort mogelijk, zo snel mogelijk en zo gemakkelijk mogelijk te articuleren zijn, maar natuurlijk niet met een neutrale mond, want dan krijg je ‘eh’. En het moet een duidelijke vraagintonatie kunnen dragen.

Soms worden die woordjes gezien als een overblijfsel van het pre-linguïstische stadium van de mens. Ze lijken wel wat op dierengeluiden en staan nogal ver af van ‘gewone’ woorden zoals zelfstandige naamwoorden en werkwoorden.

Maar hoe de menselijke taal ooit ontstaan zou kunnen zijn uit van die tussenwerpsel-achtige woordjes, is niet goed voor te stellen. ‘Eh’, ‘hm’ en ‘hè?’ hebben juist een taalafhankelijke betekenis. Zij zijn geen voorlopers van taal, maar een gevolg van taal.

Belangrijker nog: de geluiden waarmee dieren communiceren vormen altijd een klein en beperkt repertoire, terwijl het aantal tussenwerpsels dat mensen kunnen gebruiken in principe onbeperkt is.

Er kunnen nieuwe tussenwerpsels in de mode komen. ‘Wauw!’ en ‘wow!’ zijn bijvoorbeeld vrij recent.

En bestaande tussenwerpsels kunnen nieuwe betekenissen krijgen. Het pijnuitroepje ‘Auw!’ kan bijvoorbeeld overdrachtelijk en ironisch gebruikt worden in de betekenis van ‘oh, genant zeg!’.

Die onbegrensde uitbreidingsmogelijkheden – dat er onbeperkt nieuwe klankvormen kunnen worden toegevoegd en ook nieuwe betekenissen – dat is wat menselijke taal onderscheidt van de dierlijke vormen van communiceren.

    • Berthold van Maris