Veel gebouwen, weinig visie

Het wederopbouwplan ‘Van Traa’ beoogde een open, groene ruit in het centrum van Rotterdam. Dat is mislukt, schrijft Paulien Caspers. Met als gevolg een stad zonder oog voor geschiedenis en beelden, zonder hart en ziel.

Foto Hollandse Hoogte

Het beeld van Zadkine, ‘de verwoeste stad’, is het symbool van wat er met Rotterdam is gebeurd in 1940: de vernietiging van de kern van de stad, een catastrofe. In het moderne Rotterdam lijkt er echter nauwelijks meer plaats te zijn voor dit prachtige, expressieve beeld. Weggestopt in een hoekje tussen bankgebouw en Scheepvaartmuseum is het nauwelijks te zien. Dit soort onverschilligheid, gekoppeld aan pragmatisme (het beeld moest ooit wijken voor de bouw van het Scheepvaartmuseum), tekent de manier waarop het bestuur van de stad omgaat met haar beelden, gebouwen en verleden. Men kijkt niet naar de historie bij de stadsplanning. En ook niet naar de samenhang van stad, gebouwen en beelden. Deze aanpak leidt tot een kaal, sfeerloos en rommelig geheel. Werkelijk een stad zonder hart en ziel. Zijn wij daar als Rotterdammers tevreden mee?

Tot aan de Tweede Wereldoorlog was Rotterdam een levendig geheel van straten, pleinen en grachten. Dit is goed te zien op een filmpje uit 1930 van Andor von Barsy (te bekijken op YouTube). Over de oude Maasbrug – een stalen koker van vakwerk – rijdt een tram. Je ziet karren door paarden voortgetrokken, een auto, fietsers en voetgangers. Een kerktoren en een molen komen voorbij. Allerlei boten varen door de stad. Kleine exemplaren, waarvoor bruggen open moeten, grotere in de Maas. Goederen worden op de kade gezet en weer verder getransporteerd. Mannen in hemdsmouwen laden trossen bananen uit, kranen halen vrachten hout uit de buik van een schip.

In 1940 valt daar in één keer een groot gat in. Het gat begint bij de Westersingel, loopt door naar het oosten tot voorbij de Goudsesingel en naar het zuiden tot aan de rivier. Een enorme kale vlakte met een paar resten: onder andere het postkantoor en het stadhuis. Van wat er nog overeind staat wordt het meeste gesloopt, vaak tegen de zin van de bewoners in.

Vrij snel komt het bestuur met een wederopbouwplan: het plan ‘Van Traa’. Dat is opgezet als een soort ruit. De bovenkant wordt gevormd door het Weena, de onderkant door de Boompjes. In het westen loopt de Westersingel en in het oosten de Goudsesingel. Midden erdoorheen, van noord naar zuid, komt de Coolsingel, die nu het centrum vormt. Dwars erop loopt de Blaak. Deze nieuwe assen zijn breed opgezet, bestemd voor autoverkeer. Ze zijn als parkways bedoeld, dus beplant met meerdere rijen bomen.

Het eind van de Coolsingel kwam uit op de Leuvehaven en gaf een zicht op de rivier. Dit moest open blijven. In één vak ligt het Schouwburgplein, dat wordt geflankeerd door de schouwburg en de Doelen. In 1953 wordt de Lijnbaan geopend. Een kruis van twee straten, omzoomd door lage blokken met winkels, alleen bestemd voor voetgangers. De (lange) Lijnbaan ligt in dezelfde richting als de Coolsingel en Westersingel. De Korte Lijnbaan staat hier haaks op en verbindt het stadhuis met het Kruisplein. Een belangrijk element, want dit smeedt oud en nieuw aan elkaar.

Wat gebeurt er nu? Het goede van het Wederopbouwplan gaat verloren, omdat belangrijke uitgangspunten worden genegeerd. Bijvoorbeeld de groene parkways. Waar zijn de bomen op het Weena? Die hadden er al zestig jaar kunnen staan, dan waren het nu volgroeide exemplaren met flinke kruinen. ‘Het venster op de rivier’, je ziet er weinig meer van.

Men gebruikt het plan alleen als abstract raster en zet het vol met gebouwen. Overal verrijzen kolossen: de nieuwe Markthal, Calypso, Red Apple, Montevideo. Maar het zijn incidenten, ze missen samenhang. Een schrijnend voorbeeld is de Kop van Zuid. Hier staat een verzameling torens, misschien indrukwekkend op afstand, maar op straatniveau is het gebied onherbergzaam. Het is ingericht op autoverkeer, winderig, onaantrekkelijk voor voetgangers. Een gemiste kans.

Wordt het niet eens tijd dat er een stedenbouwkundig plan wordt gemaakt waarin ook het verleden een rol speelt en waarin er een samenhangend systeem van goede openbare ruimtes centraal staat?

    • Paulien Caspers