Stadsgebreken

Op maandag en donderdag worden in de buurt waar ik woon de vogels getrakteerd. Een feest voor de meeuwen, de kraaien en in mindere mate voor de duiven en spreeuwen. Mussen zie ik niet meer. Wel parkieten die uit hun kooi ontsnapt zijn, of hun nageslacht. In Amsterdam wonen veel allochtone parkieten, keurige vogels zo te zien. Aan dit feest doen ze niet mee. Al dat lekkers is voor die grote, sterke vogels. Op hun hardst lawaai makend hippen ze om de berg van vuilniszakken heen, pikken het plastic kapot, rukken de inhoud eruit en gaan en passant nog even met elkaar in gevecht. Op maandag is de vuilnisman laat. Hij komt pas tegen een uur of tien, elf. De berg zakken is veranderd in een vulkaantje na de uitbarsting. Al het eetbare – schillen, broodkorsten, worstvelletjes, vetrandjes en wat de mens verder versmaadt – is verdwenen. Wel ligt er een zee van plastic, papier, doosjes en andere rotzooi. Als je overmatig nieuwsgierig was uitgevallen zou je misschien nog interessante correspondentie kunnen vinden, of onthullende archiefstukkeen. Op weg naar mijn tramhalte kom ik langs nog een stuk of tien van die vulkanen, en waar ik uitstap idem. Na een paar uur zijn ze verdwenen. De vuilnisman heeft bijna alles keurig opgeveegd.

In deze krant van vorige week vrijdag heeft de directeur van het Rijksmuseum, Wim Pijbes, een artikel geschreven over ‘Amsterdam, het toerisme, het vuil en de volle stad’. We staan hoog op de internationale lijst van culturele topsteden. Van heinde en verre komen de mensen naar het Museumplein, nu al vijf miljoen per jaar. En dat aantal stijgt. Ze genieten van De Nachtwacht, De Aardappeleters, The Beanery. Verzadigd van kunstgenot gaan ze weer naar buiten. En wat dan? Ik heb nog niet gehoord dat er een Amerikaan of Japanner struikelend in een vuilnisberg terecht is gekomen, maar het zou kunnen. Misschien lopen ze naar het Leidseplein en nemen daar een taxi naar onze poel der zonde, de Walletjes. Er is een niet geringe kans dat de chauffeur het tarief wat heeft opgeschroefd. Of ze komen terecht in een van de andere bedenkelijke oorden waarvan Wim Pijbes een overzicht heeft gegeven.

En als ze de tram nemen, dan hebben ze keuze genoeg. Vanaf het Stationsplein bijvoorbeeld kan je echt alle kanten op. Wat een gemak! Ik weet dat ik al eens een stukje over ons openbaar vervoer heb geschreven, maar in het licht van het heden en de toekomst die Wim Pijbes schetst – nog veel meer dan vijf miljoen museumbezoekers per jaar – doe ik het nog eens.

Een nadeel van de Amsterdamse tram is dat verreweg de meeste buitenlanders niet weten hoe je voor de rit moet betalen. We nemen een voorbeeld. Een reisgezelschap van een man of tien, aangekomen uit Tokio, wil de volgende dag naar het Museumplein. Ze staan op de halte achter het Paleis op de Dam want ze hadden zich vergist. Ze hadden het Paleis of Magna Plaza voor een museum aangezien. Daar komt lijn vijf. Die heeft geen conducteur. Ze gaan keurig in de rij staan om bij de bestuurder hun kaartje te kopen en ze willen allemaal betalen met een biljet van tien of twintig euro. Het duurt wel een minuut of tien voor ze allemaal hun wisselgeld hebben gekregen. Intussen zijn er nog meer mensen ingestapt. Deze tram is stampvol.

Volgende halte: het Spui. Daar staat een club jonge globetrotters te wachten. Bèkpèkkers die een paar biertjes in een van de leuke cafeetjes gedronken hebben en nu ook naar Rembrandt willen. Ook zij betalen met biljetten. Ze wringen zich naar binnen, een kleine strijd om het bestaan, waarbij ze zich er niet meer van bewust zijn dat ze een geweldige bult op hun rug hebben. Waarom ze geen rolkoffertje hebben is me een raadsel, maar zo is het nu eenmaal.

Ieder mens heeft behoefte aan bestaansruimte, niet te verwarren met Lebensraum, wat een politiek begrip is. Dat je gebrek aan bestaansruimte hebt, merk je als je je op de een of andere manier beklemd voelt. Daar sta je in de volle tram. Een bèkpèkker maakt een draai van 90 graden waardoor je voluit door zijn rugzak word getroffen, het hindert niet waar. Ik weet niet hoe u dan reageert, maar van mij maakt zich een laaiende woede meester, niet langer dan een seconde. Ik geef die rugzak een reuzenduw. De drager zegt: Sorry!