Oprecht gelukkig als ‘haas’

De EK atletiek in Zürich nadert. Kampioen worden is geen garantie voor een succesvol carrièrevervolg, weet Bram Som uit ervaring. Maar een titel beklijft wel.

Vanwege zijn verhuizing naar good old Arnhem gleed de medaille pas nog door zijn vingers. Op zo’n moment denkt Bram Som : ‘Ik ben zó blij dat ik ’m heb.’

Eens Europees kampioen, altijd Europees kampioen. Die titel uit 2006 – op de 800 meter – heeft Soms bestaan als atleet gelegitimeerd, vindt hij. „Als ik een keer officieel afscheid neem, heb ik altijd nog die titel. Ik sta in de boeken. Dat geeft veel voldoening. En het is een geruststelling, zo van: die heb ik toch maar in de pocket.”

Som personifieert de atleet die veel kon, maar relatief weinig won. Steeds was er wat, maar vooral veel blessureleed. Vanaf zijn internationale entree in 2000 slalomde Som van wedstrijd naar revalidatie. Uitgerekend in een minder jaar wordt hij in Göteborg Europees kampioen. Met realiteitszin: „Gelukstitel is een groot woord, maar die dag viel alles op zijn plaats. Er zijn jaren geweest dat ik er meer op ‘gestuurd’ had, maar het er niet uitkwam. Alles kwam die dag samen, maar het was vooral de bevestiging van: ik kan het. Ik was toen de beste, maar later werd ik nog veel beter.”

Maar later won hij geen medaille meer, noch op Europese of wereldkampioenschappen, noch op Olympische Spelen. Vooral het gemis van een olympische plak steekt. Voor de Spelen van Londen in 2012 had Som alles, maar dan ook alles opzij gezet; om nooit in de Engelse hoofdstad te arriveren. Nog steeds grommend van ontgoocheling: „2012 was mijn meest frustrerende jaar ooit.”

Aan de tekentafel leek het zo mooi. In samenspraak met zijn zwager en nieuwe trainer Ruben Jongkind en zijn mentaal begeleider Marco Hoogerland had Som een route naar een olympische medaille uitgestippeld: drie jaar experimenteren om in 2012 het ideale programma klaar te hebben. Zijn vriendin Norma offerde zelfs haar baan op, om samen met zoon Seb in gezinssamenstelling de langdurige buitenlandse trainingskampen mee te maken. Opofferingen om in Londen te kunnen uitkomen op een tijd onder de 1.43,00 minuut. Een messcherpe doelstelling voor de Nederlandse recordhouder (1.43,45), maar volgens Som en zijn staf noodzakelijk voor een podiumplaats. Achteraf is dat een illusie – of een misrekening – gebleken, want voor brons had Som rond de 1.42,50 moeten lopen. Twee jaar na dato is hij nog niet over zijn verbazing heen. „Wat een belachelijk snelle race in Londen, met dat wereldrecord [1.40,91] van de Keniaan David Rudisha. Alleen de nummer acht liep niet onder mijn persoonlijk record.”

Som erkent dat een medaille te hoog was gegrepen. Berustend: „Ik had misschien vierde kunnen worden, maar dat was niet mijn doel. Ik heb de lat onhaalbaar hoog gelegd. Ik was van het niveau 1.43,00, 1.44,00 en had misschien één keer in de 1.42,00 kunnen lopen.”

Het probleem van zijn ontregelde olympische route was, zegt hij stellig, dat de trainingskampen na vijf maanden in warme oorden als Spanje, Zuid-Afrika en Kenia bij thuiskomst niet voortgezet konden worden. Terug in Nederland moest Som dealen met de gure kant van het Nederlandse klimaat. En dat ging mis. In plaats van te remmen ging hij vol door – „ik heb gruwelijk aan de grens gezeten, tot ik er een keer overheen donderde.” Het begon met een pijntje in de kuit en het eindigde met een gescheurde hamstring, die hem bij wijlen specialist Dick van Toorn bracht.

Som herstelde, maar bleef verwijderd van de vorm waarmee hij uit de trainingskampen was teruggekeerd in Nederland. Na de 'hamstring’ heeft Som nog twee keer een limietpoging gedaan, maar het ging niet meer, het was voorbij. Weg olympische droom.

Spaargeld erdoorheen gejaagd

Ontredderd aanschouwde Som de toekomst. Wat nu? Hij was fysiek, maar vooral mentaal helemaal klaar met de blessures en revalidatietrajecten. Zo veel was toen al duidelijk: de professionele atleet Bram Som hield op te bestaan. Had ook financiële redenen, want Som zat bijna aan de grond. Zonder een spoortje spijt: „Ik had al mijn spaargeld erdoorheen gejaagd. Hoeveel? Ik denk toch gauw vijftig- à zestigduizend euro. Ik had alleen nog een huis, waarvan ik met veel moeite de hypotheek kon betalen. Hoorde ik in juli ook nog eens dat het Defensie Topsportteam ermee ophield. Gelukkig had ik een contract tot eind januari. Met die kleine buffer konden we het net redden. Het was een heftige tijd.”

Nu is Som opgelucht dat hij verlost is „van die mierenneukerij”. Hij hoeft niet langer nee te verkopen tegen zijn twee kinderen. Hij kan mee naar de speeltuin en eens een ijsje eten – „ik kies voor mijn gezin en niet meer voor twaalf keer per week trainen.”

Maar gestopt als atleet is Som zeker niet. Hij biedt zich al twee seizoenen aan als ‘haas’, de tempomaker die lopers op de 800 en 1.000 meter en de mijl naar een snelle tijd moet brengen. Som is er druk mee. En tevreden met zijn nieuwe rol. Nee, de Europees kampioen ziet het niet als een degradatie. Integendeel, zegt hij. „Ik ervaar het als de kers op de taart. Ik kan nu van mijn sport genieten en profiteren van mijn jarenlange inspanningen. Heb ik niet voor niets zo veel jaren keihard getraind. Het is vooral leuk dat ik ontspannen het circuit kan rondreizen. Op plekken waar ik voorheen de druk van de wedstrijd droeg, denk ik nu; goh, wat is Rome mooi, ik ga even de stad in. Ik hoef niet langer de grens op te zoeken. Ik bied me aan als een haas van 1,16,00 op de 600 meter en 2.20,00 op de 1.000 meter. Maar dat is wel een niveau waarvoor redelijk intensief getraind moet worden. Ik kan me er niet van afmaken met rustige duurloopjes. En het is ook nog een aardige bijverdienste, zo’n twee- à tweeënhalfduizend euro per wedstrijd. Bruto, dat wel,maar niet overdadig als je al die trainingsuren rekent. Ik geniet erg van mijn nieuwe rol. Dit is iets wat ik nog wel vijf, zes jaar kan volhouden.”

Denk niet te geringschattend over ‘hazen’. Het is volgens Som een specialisme dat zelfs door wedstrijdorganisatoren wordt onderschat – „die vragen soms een belachelijke eindtijd”. Maar uiteindelijk volgt Som zijn eigen koers. „Omdat ik weet hoe ik een veld naar een snelle tijd moet brengen. Als ervaringsdeskundige kan ik dat het beste beoordelen. Een snelle tijd op de 800 meter wordt bijvoorbeeld bepaald door het tempo tussen de 400 en 600 meter. Dan moet je gas geven. Als ik eruit stap en zie dat er rond de 1.43,00 wordt gelopen, is dat kicken. Dan heb ik mijn werk goed gedaan.”

Over werk gesproken: sinds vorig jaar heeft Som een baan als performancetrainer bij Ajax. Hij is net aan zijn tweede seizoen begonnen. Een job die past bij zijn wens om jonge sporters te begeleiden. In Amsterdam maakt Som deel uit van het performanceteam voor de onderbouw en middenbouw, in totaal tien teams met spelers van zeven tot zestien jaar.

Kort samengevat is hij verantwoordelijk voor de fysieke ontwikkeling van de spelers. „Ik ben niet alleen een looptrainer. Ik kijk verder. Voor een goede loophouding ben je afhankelijk van wel tien tot vijftien factoren. Die breng ik in kaart. Het gaat om krachttraining, maar ook om loopoefeningen en rompstabiliteit of voeding. Afhankelijk van de behoefte werk ik individueel of in groepsverband. Ik moet ertoe bijdragen dat de spelers zo belastbaar mogelijk aan de bovenbouw worden afgeleverd.”

Terugblikkend op zijn carrière kan Som zich hooguit verwijten dat hij te lang bij trainer Honoré Hoedt is gebleven. Niet vanwege diens trainingstechnische kwaliteiten – „ik heb heel hard gelopen onder Hoedt” – maar vanwege diens conservatisme. Som: „Hoewel ik misschien nog wel vertrouwen had in zijn aanpak, wilde ik meer. En die ruimte gaf Hoedt niet. Hij accepteerde geen buitenstaanders, terwijl ik die juist zo hard nodig had.”

Die behoefte werd evident vanaf het moment dat Som zich liet begeleiden door trainer Jongkind en sportpsycholoog Hoogerland. Vooral de innovatieve aanpak van Jongkind spreekt hem aan – „hij loopt altijd voor, wil altijd de laatste ontwikkelingen weten, dat is enorm inspirerend”. Steeds weer zoeken naar nieuwe wegen om beter te worden. Steeds opnieuw uitgedaagd worden, dat was de bezieling die Som zocht. Of zoals hij zelf zegt: „Eén en één werd drie.”

Nadat Som in 2008 de Olympische Spelen van Beijing had gemist, leken Jongkind en Hoogerland hem in 2009 gereset te hebben. Hij vloog weer over de baan, benaderde op de 800 meter zelfs het Nederlands record. Nadat Som in een rommelig toernooi met een ongelukkige valpartij op de WK van 2009 in Berlijn zevende was geworden, zag hij nieuw olympisch perspectief. Tot zijn ambitie ontspoorde en de weg naar ‘Londen’ in een martelgang eindigde. Toen wist de atleet Som: het is voorbij.

    • Henk Stouwdam