Minister, leg uw huid eens af

Frits Bolkestein is een van de weinige Nederlandse politici die zijn memoires schreef. In 2013 verscheen zijn boekCassandra tegen wil en dank. Foto Hollandse Hoogte

Zodra je je afvraagt waarom Nederlandse politici – anders dan bijvoorbeeld hun Britse of Franse collega’s – geen letter op papier krijgen, komt ex-staatssecretaris Henk Bleker met een boek over Italië. Hoera! Met Frits Bolkestein, die zijn memoires schreef, en Femke Halsema, die volgende maand in Pluche verslag doet van haar verblijf in de Haagse politiek, is hij de uitzondering die de regel bevestigt. In ons land verschijnen namelijk géén memoires van bijvoorbeeld Balkenende of Lubbers, treden geen politieke dagboekaniers in het spoor van Ed van Thijn.

Dan de Britten. Afgezien van politicus Tony Benn, die tot een jaar voor zijn dood, op 88-jarige leeftijd, zijn dagboeken uitbracht in een reeks die hij begon in 1940, wemelt het er van de politici-autobiografen en dagboekschrijvers. En dan gaat het heus niet alleen om (voormalige) premiers die hun politieke nalatenschap veilig willen stellen, maar ook om backbenchers, van de uitbundige Conservatieve ex-MP Ann Widdecombe (‘Strictly Ann’) tot de onopvallende Labour MP Chris Mullin.

Die laatste hield dagboeken bij met observaties over het ‘gewone’ leven in Westminster: een mengeling van kijkje-achter-de-schermen en politiek incorrecte uitspraken van collega’s, die veel meer zegt over het politieke bedrijf dan de officiële lezing doet geloven. Leg die naast de autobiografieën van ex-minister van Binnenlandse Zaken Jack Straw (Last Man Standing) of ex-minister van Financiën Alastair Darling (Back from the Brink: a 100 days at Number 11) en je krijgt een behoorlijk beeld van wat er werkelijk omging in het laatste Labourkabinet, als ook van de particuliere ijdelheden van de hoofdrolspelers.

Ed van Thijn, die als auteur van Dagboek van een onderhandelaar (1978) groot publicitair succes had met zijn insidersverslag over de mislukte onderhandelingen om Nederland op basis van PvdA-verkiezingswinst met een kabinet Den Uyl II te begiftigen (het werd een kabinet Van Agt-Wiegel), noemt zichzelf ‘eerder een politicus die veel geschreven heeft, dan een schrijver.’

Dat eerste dagboek, zegt hij, werd uit razernij geschreven. „Een enorme teleurstelling over de mislukking van de onderhandelingen én het feit dat ik daarbij door Van Agt bedrogen was. Uitgever Rob van Gennep zei: ‘Jij moet een boek schrijven!’ Dat heb ik toen gedaan, in drie weken. Met een sigaar in de mond.” Later paste Van Thijn die dagboekformule toe op zijn banen als burgemeester van Amsterdam en waarnemer in Sarajevo.

Bang

In de fractievergaderingen onder Den Uyl, vertelt hij, „zat iederéén te schrijven! Den Uyl niet in de laatste plaats.” Waarom die aantekeningen niet tot boeken hebben geleid, begrijpt Van Thijn wel. „Of ze kunnen niet schrijven – en van Nederlandse politici in het algemeen kun je zeggen dat zij geen begenadigde schrijvers zijn –, óf ze kunnen zichzelf niet relativeren, óf hun manuscripten zijn vieux jeu tegen de tijd dat ze ze afhebben. Voor een uitgever is dat geen brood op de plank.”

Uitgever Plien van Albada van Balans zette ex-minister van Financiën Gerrit Zalm aan tot het schrijven van een verantwoording over diens regeerperiode. Het werd De romantische boekhouder, waarvan 35.000 exemplaren zijn verkocht. „Heel behoorlijk”, vindt ze. „Politici in Nederland zijn bang zich bloot te geven. Ik wil kwalitatieve non-fictie uitgeven. Op die gronden ben ik soms enorm gemotiveerd om iemand aan te zetten tot schrijven – maar als iemand niet wil of kan houdt het op. Het is toch een enorme investering en je moet een commerciële afweging maken.”

Van welke politici zou ze graag een boek uitgeven? Net als haar concurrenten, zegt ze, aast ze op de memoires van iemand als Rutte. Ze denkt te weten – „absoluut interessant natuurlijk” – dat minister Timmermans een dagboek bijhoudt. En bij Neelie Smit-Kroes (van wie een biografie verscheen) hebben vast al velen aangeklopt. „Maar die wil niet.”

Van Albada is jaloers op de Britse traditie van verslag doen en verantwoording afleggen. „Het is het verschil in cultuur. Britten houden van acteren en van spionage, die zijn eraan gewend dat politici een aantal jaren een rol spelen, heel gewiekst en laag over laag een spel opvoeren. En dan uiteindelijk die acteurskleding uittrekken. In dit kleine polderland, met zijn eeuwige coalitiepolitiek, durft niemand zijn huid af te leggen.”

Uitgever Chris ten Kate (Van Gennep) relateert de afwezigheid van persoonlijke memoires of dagboeken van Nederlandse politici behalve aan gebrek aan schrijftalent ook aan het taboe op het binnendringen in „de thuissituatie” van politici. „We hebben hier ook geen schandalen over. De buitenechtelijke relatie van toenmalig staatssecretaris van Defensie Jack de Vries met zijn adjudante, de speculaties over de vrijgezel Mark Rutte – er moet zich daarachter meer afspelen, maar het is not done om ernaar te graven. Pim Fortuyn kon de gekste dingen zeggen over de aantrekkelijkheid van Marokkaanse jongetjes, maar het werd hem niet nagedragen.”

Nieuw dak

Diezelfde Fortuyn zorgde in 2002 door onberispelijke timing voor een politieke bestseller (oplage 150.000) met De puinhopen van acht jaar Paars. Een zeldzaamheid, zegt Ten Kate, „want een goed politiek boek moet de 10.000 kunnen halen en een lijsttrekker 50.000.”

Niet dat je je als schrijver-politicus op grote rijkdommen moet verheugen, zegt Ella Vogelaar. Deze gewipte minister van Volkshuisvesting en Integratie in het kabinet Balkenende IV stortte in Twintig maanden knettergek (oplage 20.000 en vijf drukken) elke dag van haar ministerieel bestaan haar hart uit tegen haar partner, journalist Onno Bosma. Samen schreven ze na haar ontslag een boek. Zij vertelde, hij noteerde. „We hebben van de opbrengst een deel van het nieuwe dak van ons tweede huis in Frankrijk kunnen betalen. Hooguit!”

Net als Bolkestein later over zijn eigen memoires zal zeggen, heeft ook Vogelaar het in de notities over haar politieke collega’s „netjes gehouden. Uit de overweging: voormalige collega’s zitten daar nog. En ik wilde geen olie op het vuur gooien, maar alleen míjn verhaal vertellen. Tot het laatste uur heb ik er met Onno discussie over gehad. Hij wilde soms dat ik een stap verder ging, maar dat wilde ik niet. En we hadden tevoren afgesproken dat ik het laatste woord zou hebben.”

Vogelaar signaleerde een aantal collega’s met „dagboekjes”, maar begrijpt ook waarom het niet tot publicatie kwam. De vluchtigheid van het politieke bedrijf – „meer dan vijftig procent komt na één termijn niet terug” – en de druk „om te scoren, je in de kijker te spelen met het oog op herverkiezing. Gedwongen door de 24-uurs nieuwscirkel en de kijkcijfers hol je van de ene hype naar de andere. Politici en media houden elkaar in een soort wurggreep, waardoor de kwaliteit van de politiek er niet beter op is geworden. Vind dan maar eens tijd om te schrijven.”

En toch, het grote publiek krijgt daardoor een vertekend beeld van politici voorgeschoteld. „Het ambt vereist een pose. En Den Haag: de mensen daar denken echt dat dat het centrum van de wereld is. Je hoort daar bij de macht. Wat de impact van dat denken op je persoon is, daar denken velen niet over na”, aldus Vogelaar.

„Nederlanders worden niet opgeleid om te schrijven of om te spreken in het openbaar”, meent memoire-schrijver Frits Bolkestein. „Ik wil overtuigen en daarom schrijf ik.”

Hij treurt: „In de Kamer wordt alles opgelezen. De taalbeheersing van middelbare scholieren en studenten is abominabel. Ik ben groot geworden bij Shell. Neem van mij aan: hoe mensen zich uitdrukken is daar van het grootste belang.” De debatten in de Tweede Kamer worden daarbij steeds persoonlijker, terwijl scherp zijn in geschrifte er niet bij is. Dood in de pot voor oppositie op basis van een intellectuele, principiële discussie is daarbij, volgens Bolkestein „dat je in ons politieke stelsel mogelijk de volgende maand weer met iemand door één deur moet kunnen.”

    • Hieke Jippes