Kom maar op

Anne-Wil Blankers speelt weer koningin Wilhelmina. Bij een broodje carpaccio vertelt ze dat haar toneelcarrière nog lang niet voorbij is.

Anne-Wil Blankers: „Ik kan elk jaar kiezen uit wel vier of vijf grote stukken.”

Een, twee, drie brillen legt ze op tafel. Een lees-, een zonne-, en een gewone. Anne-Wil Blankers (73) rangschikt ze kalmpjes. Naast haar bord legt ze haar oude Samsung, waarop ze af en toe naar de tijd spiekt. Straks heeft ze een afspraak bij een castingbureau, een paar minuten lopen vanaf het terras waar we zitten in Amsterdam-West. „Of ik daar auditie ga doen?” Haar stem, warm en vol, klinkt vertrouwd. „Ik heb nog nooit van m’n leven auditie gedaan.” Een hautain lachje. „Stukken worden op mij uitgezocht.” Met één opgeheven wijsvinger smoort ze elke respons. „Daar heb ik dus wel vijftig jaar voor op het toneel gestaan, hè.”

Ze begon als actrice in 1963, bij de Haagse Comedie, een theatergezelschap dat nu niet meer bestaat. Jaar in jaar uit speelde ze vrijwel onafgebroken. Ze was Desdemona en Hedda Gabler, ze bracht stukken van Molière en Tsjechov, ze had rollen in Shakespeareproducties en in speelfilms. Natuurlijk is ze er heus wel eens even tussenuit geweest, toen ze haar kinderen kreeg bijvoorbeeld, twee zonen en een dochter. Maar veel langer dan een paar maanden bleef ze niet weg. Haar jongere zusje en later een meisje voor dag en nacht zorgden ervoor dat bij haar thuis alles geregeld werd als zij moest werken. Haar man, zakenman Ger van Klaveren, zelf geen „fanatiek toneelliefhebber”, legde haar nooit een strobreed in de weg. Het langst, een heel jaar, moet ze zijn weggeweest toen ze arteriitis temporalis kreeg, een tijdelijke ontsteking van een slagader in haar hoofd. Dat was in 1994.

We bestellen limonade. Geen gewone, maar hippe uit een zakje dat je zelf moet mengen met water. Zij neemt citroen, ik lavendel. „Wat enig”, zegt ze terwijl ze de limonadesiroop door haar glas roert. Met een rietje proeft ze of het smaakt. Nog een beetje citroensiroop erbij. Nog een klein beetje. Het toneelstuk waarover ze straks met de castingdirecteur gaat praten, staat gepland voor najaar 2016. Ze neemt een slokje. „Dan ben ik...75. Nee, 76.” Ze drapeert haar zwart-witte sjaal over haar enkellange blauwe jurk. Schikt haar zilverwitte haar. „Hoe zeg je dat ook weer? Deo volente. Als god het wil.”

Zelf had ze gedacht dat het wel voorbij zou zijn voor haar. „Op het toneel kun je nog een beetje smokkelen met je leeftijd. Ik dacht: ik kan nog even vooruit als moeder van, dan misschien nog een keer een rol als grootmoeder, en dan heb je het wel zo’n beetje gehad. Hoeveel rollen zijn er helemaal voor oude mensen?” Tien jaar geleden verhuisde ze naar Friesland. Haar man, zeven jaar ouder, was al met pensioen. Maar toen kwamen de rollen. En als ze er niet waren, dan werden ze wel voor haar bedacht. „Ik kan elk jaar kiezen uit wel vier of vijf grote stukken. Zat ik een half jaar in mijn eentje op een flatje in Den Haag, omdat het te ver was om steeds op en neer naar huis te rijden.” Intussen is ze terugverhuisd naar het westen van het land, dichterbij de repetitieruimten en de theaterzalen waar ze op moet treden. Ze woont nu in de buurt van Lopik, in een verbouwde boerderij tussen de veeboeren. Haar man is „vooral heel erg bezig met 80 zijn”. En om de zoveel tijd verruilen de ze ene afgelegen plek voor hun nog rustiger gelegen huis in Frankrijk.

Een van de mensen die belden na haar pensioenleeftijd was de producent van Soldaat van Oranje. Een musical. Of ze koningin Wilhelmina wilde spelen. Dát ze haar voor de rol vroegen, is niet zo gek. Ze speelde Wilhelmina twee keer eerder. Op het toneel, in Je Maintiendrai in 1998. Het stuk had zo’n succes dat er daarna een vierdelige televisieserie van werd gemaakt door de NCRV, waarin zij ook de koningin speelde. Maar dat de musicalproducent háár vroeg, een gelauwerd actrice van het kwaliteitstoneel, dat was toch wel een beetje gewaagd? „Ik denk dat ze verbaasd waren dat ik meteen ‘ja’ zei.”

Het heeft haar nooit zoveel kunnen schelen of ze in een commerciële of gesubsidieerde productie stond. „Zolang het stuk maar goed is en de rol interessant.” Nu zie je wel vaker toneelacteurs in musicals en soapacteurs op het toneel. Maar toen zij in 1979 haar vaste contract bij de Haagsche Comedie opzegde om in een vrije productie te spelen die door Joop van den Ende werd geproduceerd, was dat voor haar collega’s „even schrikken”. Wel stoer, zeg ik. Ze buigt gracieus haar hoofd. „Ik zei: over een jaar kom ik weer terug. Als jullie me nog willen.” Pauze. „Dat wilden ze wel.”

Het stuk heette Een dag uit de dood van verdomde Lowietje. Een prachtig stuk, zegt ze. „Over een ouderpaar met een heel zwaar gehandicapt kind.” Anne-Wil Blankers had zelf een lichtgehandicapt kind. Haar dochter Marjolijn had het Downsyndroom. Ze is in 2002 overleden, op haar 32ste. Ik vraag hoe oud haar dochter was ten tijde van het stuk. „Tien.” Ze kromt haar armen en hoofd in een onhandige draai. „Het meisje in het stuk is spastisch. Ze kan niks. Een plant.” Het stuk gaat niet zozeer over de ouders en het kind, maar meer over hoe paniekerig de omgeving reageert op de ouders. „En hoe zij daar dan weer mee omgaan.” Het was een fantastisch jaar, zegt ze. „Zalig om het met Jeroen [Krabbé] te spelen.” Na elke voorstelling napraten in de zaal. „Kinderartsen, huisartsen, dominees waren gechoqueerd door het stuk.” En ouders? „Nee, die niet. Die begrepen het wel.” En was het voor haarzelf therapeutisch? „Welnee.” Nee? „Mijn dochters handicap was geen grote last. Ja, in het begin was ik wel teleurgesteld. Ik was 29, krijg je ineens een kind waar wat mee is. Maar daarna vond ik het niet zo ingewikkeld. Ze heeft een leuk leven gehad, hoor.”

Doodeng

Anne-Wil Blankers probeert het vloerbrood met carpaccio te snijden. „Hè, wat een dikke boterhammen geven ze toch tegenwoordig.” Ik vraag of ze zin heeft om wéér Wilhelmina te spelen, ze stond al twee keer eerder een aantal maanden in Soldaat van Oranje. Intussen is de musical uitgegroeid tot de best bezochte Nederlandse theaterproductie ooit, met bijna anderhalf miljoen bezoekers. Het komende seizoen speelt Mark Rietman erin, Huub Stapel. Olga Zuiderhoek wisselt de rol van Wilhelmina af met Anne-Wil Blankers. „Ik vind het heerlijk,” zegt ze. „Het is zo iets aparts. De hele ambiance, de entourage.” De omgebouwde vliegtuighangar waar het stuk wordt opgevoerd, het decor, de muziek. Het script van de musical had ze nog liggen. De teksten die ze moet zingen bleek ze ook nog redelijk goed te kennen. Niet doodeng, dat zingen? „Het is meer zingzeggen. Ik vind het geen musical. Meer een toneelstuk met muziek en af en toe zang.”

De musical speelt zich af in de Tweede Wereldoorlog. Wilhelmina, de oorlogskoningin brengt die periode grotendeels door in Engeland, in ballingschap. Ze is gevlucht, zeggen sommigen. „Ze wilde niet weg uit Nederland. Ze wilde stoer zijn. Niet onderdoen voor haar voorvaderen. Ze wilde een heldin worden. Ze hebben haar moeten dwingen.”

Zelf is ze van 1940. Geboren in Rotterdam, oudste kind van een kapster en een vader die werkte in een delicatessenwinkel, maar in de oorlogsjaren tewerkgesteld werd in Duitsland. Herinnert ze zich nog iets? „Ik herinner me geuren en geluiden. Tulpenbollen, die hebben we gegeten. We zochten kooltjes tussen de tramrails, dat weet ik nog.” En de prinsesjes die in Canada werden geboren? De toespraken van de koningin op de radio? Ze legt haar wijsvinger op haar lippen. „Sst, sst...De koningin...Dan moest ik stil zijn.” Wilhelmina zat veilig in het buitenland, terwijl de Nederlandse bevolking.... Anne- Wil Blankers wacht de vraag niet af. „Ze had natuurlijk geen reëel beeld van de oorlog hier, dat blijkt wel uit haar teksten.” Om zich voor te bereiden op haar rol heeft ze de tweedelige biografie gelezen die historicus Cees Fasseur over Wilhelmina schreef. „‘Sla de mof op z’n kop’, zei ze via de radio tegen haar onderdanen. Hoe zag ze dat voor zich?”

Nee, schudt ze. Sympathie is het niet, ze voelt eerder compassie voor Wilhelmina. „Ze had geen leuk, eenvoudig leven. Ze kende veel teleurstellingen. Veel eenzaamheid.” De oorspronkelijke titel van haar autobiografische boek uit 1959 was Alleen maar niet eenzaam. „Dat werd voor publicatie veranderd door de uitgever in: Eenzaam, maar niet alleen.” Anne- Wil Blankers slaat haar handen ineen. „Dat is totaal iets anders.” Ze zal haar precies zo spelen als de vorige keren. „En toch is elke avond anders.”

Gevoelens van verdriet en eenzaamheid weet ze in zichzelf wel te vinden. „Je vermengt je eigen gevoelens met die van het personage. Ze zijn als het ware vervormd.” Maar wat de toeschouwer niet ziet, tenminste niet meteen, is wat er gebeurt als ze op het toneel staat en even niet aan het praten is. „Ik sta heus niet alleen maar te wachten tot ik weer aan de beurt ben. Ik denk.” Aan wat? „Elke keer aan wat anders. Steeds begrijp ik mijn personage iets beter.”

De komende drie maanden draagt ze op toneel een pruik, een dikmaakpak en een ouderwetse mantel. „Ik zie er vreselijk uit. Stokoud.” Vervelend? „O nee, ik vind het juist enig om iemand te spelen die ver van me afstaat, ook in uiterlijk.”

Stilletjes hoopt ze dat ze haar nog eens zullen vragen voor een echt bizarre rol. „Het kan me niet gek genoeg zijn. Kom maar op.”

    • Rinskje Koelewijn
    • Tekst