Ik ga op reis en ik neem mee

Pieter Steinz heeft de spierziekte ALS en verbindt het verloop van zijn ziekte met de boeken die hij (her)leest. Deze week: Reize in eenen palanquin van Jacob Haafner.

Illustratie Marike Knaapen

Het bloed kruipt waar het niet gaan kan. En dus wilde ik deze zomer dolgraag met vakantie, liefst naar het buitenland. Erg veel reisjes zullen me niet meer vergund zijn, dus zolang ik me nog enigszins vrijelijk kan bewegen, moet ik daarvan profiteren. Het plan was om vóór de grote vakantiedrukte te vertrekken, een paar dagen na een kleine, preventieve operatie, eind juni. Maar er kwamen complicaties, ik lag twee weken op de intensive care, moest daarna aansterken, en uiteindelijk werd het sein veilig pas eind juli gegeven.

Vergt de gemiddelde vakantie al flink wat planning, op reis gaan als patiënt is helemaal geen sinecure. Het begint al met de bestemming, die mag niet te ver weg zijn. Een vliegreis is geen optie voor iemand die het snel benauwd heeft en voor verlichting is aangewezen op beademingsapparatuur – nog afgezien van het feit dat je uit de cabine altijd wel een verkoudheid meeneemt. Een treinreis is té vermoeiend, zelfs al zou je al je bagage met behulp van kruiers (bestaan die nog?) vervoeren. En een cruise druist in tegen het gevoel van vrijheid dat je met een vakantiereis juist probeert op te roepen.

Het werd dus met de auto naar Normandië, een streek van waaruit je bij calamiteiten (lees: medische complicaties) in minder dan een halve dag je vertrouwde ziekenhuis kunt bereiken. Ik ging op reis en ik nam mee: twee sets beademingsapparatuur, inclusief reserveslangen, masker en de (onhandige) standaard en drie liter gedestilleerd water voor de luchtbevochtiging; extra hoofdkussens om hoger te liggen op mogelijk slecht geoutilleerde hotelbedden; medicijnen voor alle eventualiteiten (morfine voor ernstige benauwdheid, antibiotica voor luchtwegontstekingen, pijnstillers in alle soorten en maten); een hardschuimen kussen om in vreemde stoelen te kunnen zitten; stokken om mee te lopen. De geleende rolstoel van de thuiszorgwinkel paste er zelfs in opgevouwen staat niet meer bij.

Mijn vrouw moest alles sjouwen, een opgave die des te groter was omdat ik in mijn optimisme vier verschillende hotels voor acht dagen had geboekt (en omdat ik – uit misplaatste ijdelheid, ik geef het toe – daarbij niet had vermeld dat ik een lichamelijke beperking had). De situatie deed verlangen naar de tijd dat je als gefortuneerde reiziger nergens aan hoefde te denken omdat alles voor je geregeld werd – de wereld van A Room with a View van E.M. Forster, Der Tod in Venedig van Thomas Mann, The Talented Mr. Ripley van Patricia Highsmith, of de veel onbekendere maar zeker zo vermakelijke Reize in eenen palanquin van de 18de-eeuwse antikolonialist Jacob Haafner.

Het laatste boek, een reisverslag uit de oostelijke kustgebieden van het tegenwoordige India, werd een paar jaar geleden afgestoft en ‘hertaald’ door Thomas Rosenboom, onder de titel Exotische liefde. Het is niet alleen een aaneenschakeling van spannende avonturen, een aanklacht tegen de wreedheid van de Engelse overheersers en een evocatie van het bestaan als ontdekkingsreiziger, het heeft ook een begin dat je meteen wakker schudt: ‘„Luister,” zei ik tegen mijn zaakwaarnemer, „we laten het idee van een bootreis maar varen: ik ga over land! Bestel acht koelies voor me […] Mijn vriend Martin zal me wel een palankijn willen lenen, hij heeft immers twee van die draagbedden […] Verder heb ik nog een paar flessen arak nodig, om onderweg punch te kunnen maken, en vijfhonderd goede sigaren”.’ Even verder in het hoofdstuk blijkt dat Haafner ook nog ‘een mand met schoon linnengoed, een kleine schrijflade, en zo nog wat benodigdheden’ met zich mee laat dragen.

Een auto is zeker zo’n comfortabel vervoermiddel als de door Haafner veelgeprezen palankijn; maar als je veel bagage hebt, en geen dragers, kun je beter op één plaats blijven. Nog een geluk dat mijn diëtist veel vertrouwen had in de Franse keuken en het verantwoord had gevonden dat ik zonder sondevoeding op reis ging – anders hadden we ook nog moeten zeulen met dozen Nutricia. En van geluk gesproken: de ten langen leste verkregen invalidenkaart voor in de auto bleek een uitkomst in de overvolle Franse binnensteden en kustplaatsen.

Het is overigens belangrijk om bij verminderd uithoudingsvermogen je dagen niet te vol te plannen. In iets meer dan een week leerde ik met vallen en opstaan hoe ik me als partieel invalide op een vakantie hoorde te gedragen: lang uitslapen, uitstapjes plannen in de ochtend (wanneer het effect van de nachtbeademing zich laat voelen), lange siësta’s houden, geen overbodige afstanden te voet afleggen en veel op terrasjes zitten. Ik weet het: er zijn mensen voor wie zo’n dagindeling de ideale vakantie benadert, maar voor iemand die gewend is zijn dagen in het buitenland te vullen met het zo efficiënt mogelijk aflopen van alle kerken, musea en andere een-, twee- of driesterrenbezienswaardigheden was het even slikken.

Maar alles went, en sterker nog: ik heb ervan genoten. Ondanks alle beperkingen, en ondanks het feit dat ik praktisch gestopt ben met werken (en dus geen baan heb waarvan ik los moet komen), kreeg ik het echte vakantiegevoel. Ik voelde me vrij als Jacob Haafner in zijn palankijn, en maakte in de Normandische zon alweer plannen voor een volgende ontdekkingsreis. Met een beetje passen en meten moet het Zwarte Woud haalbaar zijn, en anders wel de Elzas.